ECLI:NL:RBDHA:2026:10130

ECLI:NL:RBDHA:2026:10130

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer NL25.27674
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Afwijzing asielaanvraag. Eiser stelt van Venezolaanse en Libanese nationaliteit te zijn. Eiser wijst op zijn medische omstandigheden en stelt daarnaast dat terugkeer naar zowel Libanon als Venezuela geen optie is omdat hij daar helemaal niets meer heeft en het leven daar rouw en onverdraagzaam is. Venezuela is in de praktijk niet veilig genoeg. Niet is geschil is dat eiser niet kan terugkeren naar Libanon, gelet op de algemene situatie daar. Wel kan eiser volgens de minister terugkeren naar Venezuela. De rechtbank oordeelt dat de minister ten aanzien van de socio-economische motieven terecht stelt dat deze niet raken aan het Vluchtelingenverdrag en dat eiser hierover alleen in algemene termen heeft verklaard. De minister heeft ook op goede gronden gesteld dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico op ernstige schade loopt en dat geen sprake is van een zogeheten 15c-situatie. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.27674

(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen),

en

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Venezolaanse en Libanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij de Libanese en Venezolaanse nationaliteit heeft, tot de Feniciër en Arabische bevolkingsgroep behoort en onderdeel is van de religieuze groep Druzen. Eiser heeft verklaard dat hij in Venezuela economische problemen heeft gehad. Ook heeft eiser in de correcties een aanvullingen aangevoerd dat zijn ouders grote problemen hadden en dat hij mede hierom Venezuela heeft verlaten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig is maar dat zijn problemen vanwege de Arabische etniciteit niet geloofwaardig zijn. De minister betrekt hierbij dat eiser expliciet heeft verklaard dat hij Venezuela niet om een bepaalde reden heeft verlaten, dat hij heeft verklaard geen problemen te hebben vanwege zijn etniciteit en dat de verklaringen van eiser in strijd zijn met informatie uit openbare bronnen. Verder stelt de minister dat socio-economische motieven niet raken aan het Vluchtelingenverdrag en dat hierdoor ook geen schending van artikel 3 van het EVRM aangenomen kan worden. De problemen waarover eiser heeft verklaard worden dan ook niet meegenomen als asielmotief. De minister stelt dat eiser veilig kan terugkeren naar Venezuela en dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoel in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Omdat eiser met name een economisch motief heeft aangevoerd en omdat hij informatie heeft aangeleverd die tegenstrijdig is met de algemene landeninformatie concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het standpunt van eiser

5. Eiser voert aan dat hij in een slechte medische en psychische omstandigheden verkeert door de situatie in zijn thuislanden en de procedure die hij hier in Nederland doorloopt. Eiser heeft een overzicht van journaalregels van CompusGroup Medical van 2 juli 2025 overgelegd waaruit blijkt dat eiser last heeft van stress en spanning. Eiser is dan ook niet in staat om de beroepsprocedure te doorlopen, hij snapt de situatie en de vragen die aan de orde komen niet en vraagt in feite alleen om te mogen blijven.

Eiser voert verder aan dat terugkeer naar zowel Libanon als Venezuela geen optie is omdat hij daar helemaal niets meer heeft en het leven daar rauw en onverdraagzaam is, zeker voor een kwetsbaar persoon zoals eiser. Hoewel eiser erkent dat de terugkeer gericht kan zijn op Venezuela stelt hij dat het geheel van zijn ervaringen, ook in Libanon, in beschouwing moet worden genomen bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Daarnaast is algemeen bekend dat de situatie in Venezuela allesbehalve stabiel is en een non-refoulement beoordeling ontbreekt volgens eiser in de besluitvorming. In de praktijk is Venezuela niet veilig. Dat eiser kortstondig naar Venezuela kon terugkeren voor het verkrijgen van documenten betekent niet dat hij zich daar duurzaam kan vestigen.

Het oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank stelt vast dat de minister terecht ervan uitgaat dat eiser in het bezit is van zowel de Libanese als de Venezolaanse nationaliteit. Niet is geschil is dat eiser niet kan terugkeren naar Libanon, gelet op de algemene situatie daar. Wel kan eiser volgens de minister terugkeren naar Venezuela. Uit Afdelingsjurisprudentie volgt dat voor de vraag of een vreemdeling zich in redelijkheid onder de bescherming van het land van de tweede nationaliteit kan stellen van belang is of de vreemdeling ten opzichte van het tweede land verdragsvluchteling is of dat er gegronde redenen bestaan dat hij bij uitzetting naar dat land een reëel risico loopt op ernstige schade. Als een vreemdeling buiten zijn eigen schuld om niet kan vertrekken naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit, dan kan hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden indienen.

Verdragsvluchteling

7. Ten aanzien van de socio-economische motieven stelt de minister terecht dat deze niet raken aan het Vluchtelingenverdrag en dat eiser hierover alleen in algemene termen heeft verklaard en niet over zijn persoonlijke situatie. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser ten aanzien van Venezuela niet kan worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van vrees voor vervolging die te herleiden is naar één van de verdragsgronden.

Reëel risico op ernstige schade en de gestelde 15c-situatie

8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ook terecht op het standpunt dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat eiser op grond van individuele omstandigheden meer risico loopt om slachtoffer te worden van ernstige schade wegens willekeurig geweld dan andere mensen in Venezuela. De minister heeft ter zitting gewezen op actuele landeninformatie van eind februari 2026 waaruit volgt dat geen sprake is van een significante verslechtering van de situatie naar aanleiding van recente ontwikkelingen in Venezuela.

9. | |Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op de zitting op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet uit openbare bronnen is gebleken dat op dit moment in Venezuela sprake is van een internationaal of grootschalig binnenlands gewapend conflict waardoor geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft terecht gesteld dat de situatie in Venezuela vooral het gevolg is van een jarenlange economische crisis en politieke onrust. Er is geen sprake van een grootschalig gewapend conflict. Hoewel er gewapende confrontaties zijn tussen groeperingen, zijn deze op lokaal niveau en te incidenteel om te concluderen dat de autoriteiten doelbewust een humanitaire noodsituatie toestaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke situatie in aanmerking moet komen voor een asielvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank geven ook de recente ontwikkelingen in Venezuela – zoals op de zitting besproken – geen aanleiding om aan te nemen dat eiser wegens zijn enkele aanwezigheid daar een evident risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft een eventueel risico op schending van het beginsel van non-refoulement dan ook voldoende weerlegd.

De medische/psychische omstandigheden waar eiser op heeft gewezen leiden niet tot een andere conclusie omdat dit geen omstandigheden zijn die van belang zijn bij de vraag of eiser in aanmerking komt voor een asielvergunning. De vraag of eiser in verband met medische omstandigheden uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 moet worden verleend, ligt hier niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.L.M. Steinebach - de Wit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand