ECLI:NL:RBDHA:2026:10135

ECLI:NL:RBDHA:2026:10135

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer NL26.20567
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Maatregel van bewaring op grond van 59a, eerste lid, van de Vw. Geen toepassing lichter middel. Voldoende voortvarend gehandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20567

gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt,

en

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Mahed. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.

4. Eiser meent dat ten onrechte geen lichter middel is toegepast. Hij verbleef al op de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in [locatie].

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser niet met een lichter kan worden volstaan. De minister heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat het toepassen van een lichter, namelijk de opgelegde meldplicht en de plaatsing op de VBL, niet heeft geleid tot het vertrek van eiser en dat niet is gebleken dat eiser enige actie heeft ondernomen welke zijn overdracht zou kunnen bespoedigen dan wel ter effectuering van zijn overdracht. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat reeds hierom een meldplicht niet is geïndiceerd. Dat eiser nu stelt wel te willen meewerken omdat hij niet in bewaring wil worden gesteld, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt nu er op 29 april 2026 een vlucht gepland staat, terwijl er dagelijks vluchten naar Frankrijk gaan.

Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de verwijdering van eiser. Eiser is op 10 april 2026 in bewaring gesteld. Op 13 april 2026 is een vlucht aangevraagd en op 29 april 2026 is er een vlucht gepland. Verder is er op 15 april 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Voor zover eiser stelt dat een vlucht op een eerder tijdstip mogelijk was geweest, aangezien er dagelijks vluchten vertrekken naar Frankrijk, leidt dat de rechtbank niet tot het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De geplande vluchtdatum van 29 april 2026 is niet onredelijk laat, gelet ook op de omstandigheid dat eiser zal worden geëscorteerd. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van

H.B. Slot - Akkerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R. van der Winkel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand