ECLI:NL:RBDHA:2026:10146

ECLI:NL:RBDHA:2026:10146

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 09/231693-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

verdachte heeft zich tweemaal schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van steeds iemand van wie de verdachte wist dat deze in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het gedurende langere periode vervaardigen van seksueel getinte afbeeldingen van meerdere slachtoffers. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 voorwaardelijk. Gedeeltelijke toewijzing van gevorderde immateriële schade.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/231693-25

Datum uitspraak: 30 april 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 april 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.R. Pirone naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 28 mei 2017 te Katwijk, althans (elders) in Nederland, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen en/of houden en/of heen een weer bewegen van een of meer vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 1] ;

2

hij op of omstreeks 29 september 2019 te Katwijk, althans (elders) in Nederland, met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten

- het brengen en/of houden en/of heen een weer bewegen van een of meer vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] en/of

- het brengen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of tegen de clitoris van die [slachtoffer 2] ;

3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 mei 2020 tot en met 21 maart 2021 te Katwijk, althans (elders) in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , (telkens) een afbeelding van seksuele aard, te weten een of meer foto’s en/of video’s, waarop

- ( de) naakte lichamen en/of (deels) ontblote lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te zien zijn en/of

- te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

heeft vervaardigd;

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 3 tenlastegelegde feit voor zover dit [slachtoffer 3] betreft en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, zoals genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en voor het onder 3 tenlastegelegde feit voor zover het [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betreft. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring en heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024407542, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 106).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 april 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 januari 2025 (p. 37 tot en met 41);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juni 2025 (p. 99);

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het onder 3 tenlastegelegde feit voor zover dit [slachtoffer 3] betreft.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024407542, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 106).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , opgemaakt op 14 oktober 2024, voor zover inhoudende (p. 30):

De video's zijn van maart 2021 en wij zijn er op 3 oktober 2024 er achter gekomen. De kinderen hun iPad is gekoppeld aan de account van [de verdachte] en hierop was een verborgen album te zien. [slachtoffer 1] liet weten dat ze iets had gevonden op de iPad. Toen ben ik naar [slachtoffer 1] gegaan. Toen hebben we het hele verborgen album bekeken.

V: Wat kan jij van 20 maart 2021 in de avond herinneren?

A. [slachtoffer 1] en ik zijn naar [naam huis] , het huis van [slachtoffer 1] en [de verdachte] in [plaats] , gegaan en daar waren [de verdachte] en zijn broertje. Waarom ik bleef slapen weet ik niet. Ik was dronken denk ik.

V: Hoe weet je dat jij het bent op de foto?

A: Aan de onderbroek. De onderbroek was van de HEMA en ik zag een stukje rand die kapot was, losgelaten, en ik zag toen dat het mijn onderbroek was. Dat was het eerste waar ik het aan herkende. Daarna zag ik dat ik het was aan de manier waarop ik lag en ik herkende mijn eigen lichaam. Ik zag verder een stukje onderbeen en het deken.

V: Wat voor onderbroek was het?

A: Licht roze, type onderbroek Hipster denk ik.

V: Heeft [de verdachte] wel eens gevraagd of hij een foto van jou mocht maken?

A: Nee.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 40 - 41):

De Foto's en filmpjes zijn allemaal gemaakt op 21 maart 2021.

Foto 2 je ziet de billen van een vrouw die op haar buik ligt en een roze string met lichtroze kant.

Filmpje 1 ik zie een vrouwelijk bovenbeen vanaf de achterzijde helemaal ingezoomd. De camera verplaatst omhoog naar de billen en roze string. De camera is heel ver ingezoomd op de string die helemaal tussen de billen van de vrouw zit. De camera zoomt in op de plek waar de anus zit en op de plek waar de vagina zit.

Filmpje 2 ik zie dezelfde matrashoes en hetzelfde bovenbeen/billen en string. De camera probeert in te zoomen op de vagina tussen de billen/bovenbenen door.

De foto's zijn gemaakt met een camera model Oppo Find X2.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 april 2026, voor zover inhoudende:

De foto’s en video’s zijn door mij gemaakt. [slachtoffer 3] is in al die jaren vaak bij ons thuis geweest. Nee, het is niet een ander geweest die met mijn camera foto’s of video’s heeft gemaakt. Het was mijn telefoon waarmee de foto’s of video’s gemaakt zijn.

Bewijsoverwegingen

Door de verdediging is aangevoerd dat de foto’s en video’s van 21 maart 2021 weliswaar door de verdachte met zijn telefoon zijn gemaakt, maar dat de hierop zichtbare vrouw niet [slachtoffer 3] betreft.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van [slachtoffer 3] in haar aangifte betrouwbaar. Deze verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van 16 januari 2025. [slachtoffer 3] heeft concreet en gedetailleerd verklaard waarom zij zichzelf heeft herkend in het beeldmateriaal door te wijzen op specifieke details. Daarnaast staat vast dat [slachtoffer 3] in de nacht van 20 op 21 maart 2021 gelogeerd heeft in de woning van de verdachte.

De verdachte heeft volstaan met de ontkenning dat de desbetreffende vrouw [slachtoffer 3] is. Gelet op het voorgaande en bij gebreke aan concrete aanknopingspunten dat het hier gaat om een andere vrouw, legt de rechtbank die verklaring als onaannemelijk ter zijde.

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 21 maart 2021 meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten foto’s en video’s, heeft vervaardigd waarop deels ontblote lichaamsdelen van [slachtoffer 3] te zien zijn.

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 28 mei 2017 te Katwijk, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen van een vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] ;

2

hij op 29 september 2019 te Katwijk met [slachtoffer 2] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het brengen en heen een weer bewegen van vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het brengen en/ heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 1] ;

3

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 26 mei 2020 tot en met 21 maart 2021 te Katwijk, opzettelijk en wederrechtelijk van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , (telkens) een afbeelding van seksuele aard, te weten een of meer foto’s en/of video’s, waarop

- ( de) naakte lichamen en/of (deels) ontblote lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te zien zijn

heeft vervaardigd;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om geen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar om een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een taakstraf. De verdachte heeft zich bereid verklaard om zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft daarbij verzocht om rekening te houden met de stappen die de verdachte heeft genomen om zijn leven te beteren en de vooruitgang die hij heeft geboekt.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich meermaals op verschillende momenten schuldig gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen, bestaande uit het seksueel binnendringen van de vagina met zijn vinger, met een vrouw die in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk en wederechtelijk vervaardigen van afbeeldingen van seksuele aard. Deze gedragingen hebben plaatsgevonden bij zijn toenmalige partner, haar zus en haar vriendin, vrouwen die zich in de nabijheid van de verdachte veilig en vertrouwd waanden. Met zijn handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van die situatie, zijn eigen behoeftes ten koste van de vrouwen willen bevredigen en zich niet bekommerd om het welzijn van de slachtoffers. De verdachte heeft met het binnendringen in de vagina de lichamelijke integriteit van twee slachtoffers in ernstige mate aangetast en met het maken van de afbeeldingen hun recht op privacy geschonden.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van ontuchtige handelingen vaak nog lang last hebben van de psychische gevolgen daarvan. In deze zaak hebben de slachtoffers dit ook bevestigd in hun verklaringen tijdens de terechtzitting. Daarin spraken zij onder meer over de impact die het handelen van de verdachte heeft op hun leven, doordat zij zich onveilig voelen, niet meer bij anderen durven slapen en niet meer alleen willen zijn.

De rechtbank kent aan dit alles zwaarwegende betekenis toe bij haar strafoplegging.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 april 2026, waaruit volgt dat sprake is geweest van verslavingsproblematiek. Daarnaast vraagt de reclassering zich af of er problemen spelen van psychosociale aard. Uit het reclasseringsrapport volgt een matig-lage kans op recidive van een zedendelict. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte met een deels voorwaardelijke straf aan hem de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:

Meldplicht bij de reclassering;

Ambulante behandeling;

Beheersing van middelengebruik.

Strafsoort- en maat De rechtbank heeft acht geslagen op rechtspraak in vergelijkbare zaken van voor de inwerkingtreding van de nieuwe zedenwetgeving in 2024, waarin sprake is van het ontuchtig aanraken van de naakte geslachtsdelen en het oraal, vaginaal of anaal binnendringen anders dan met een geslachtsdeel bij een volwassene. Zij hanteert gelet hierop als vertrekpunt per feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden.

De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de verdachte gedurende een langere periode op meerdere momenten van meerdere slachtoffers afbeeldingen van seksuele aard heeft vervaardigd. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de feiten dateren uit 2017, 2019 en 2020 tot en met 2021, derhalve (deels) van een groot aantal jaren geleden. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin mee. De verdachte lijkt zijn leven op dit moment beter vorm te geven door op vrijwillige basis contact te hebben met het wijkteam en ook is hij met behulp van een vrijwillige behandeling gestopt met het gebruik van drugs.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Strafoplegging

De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden.

De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte.

De duur van de op te leggen straf is korter dan was geëist door de officier van justitie. Dit is in de eerste plaats erin gelegen dat de rechtbank op basis van de rechtspraak destijds uitgaat van een iets lager vertrekpunt dan de richtlijnen van het openbaar ministerie en zij meer betekenis toekent aan het gegeven dat de feiten deels al lang geleden hebben plaatsgevonden en aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces.

[slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2017. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.

[slachtoffer 2] vordert – na correctie van de vordering ter terechtzitting – een schadevergoeding van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 september 2019. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.

[slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 11.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2021. Dit bedrag bestaat volledig uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de volledige vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van een bedrag van € 7.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkverklaring van het meerdere.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om [slachtoffer 3] niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat de raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit van het onder 3 tenlastegelegde feit voor zover het [slachtoffer 3] betreft.

De verdediging heeft daarnaast de hoogte van de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] betwist. De verdediging heeft verzocht om deze vordering aanzienlijk te matigen. De verdediging heeft voor alle vorderingen het causaal verband tussen het gestelde (geobjectiveerde) geestelijke letsel en het handelen van de verdachte betwist. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de feiten van een behoorlijke tijd geleden zijn en dat bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade voor het maken van afbeeldingen van seksueel beeldmateriaal ten onrechte aansluiting is gezocht bij categorie 15.4 onder b ‘Openbaar maken van seksueel getint beeldmateriaal’ van de zogenoemde Rotterdamse schaal. Specifiek voor de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd dat ten onrechte aansluiting is gezocht bij categorie 15.2 onder b ‘ontucht met binnendringen’ van de Rotterdamse schaal.

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader immateriële schade

Grondslag

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin het recht bestaat op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld en dat dit letsel is voldoende causaal verband staat met het onrechtmatige handelen.

Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Rotterdamse schaal

Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen

De vordering van [slachtoffer 1]

De onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn tegenover [slachtoffer 1] aan te merken als onrechtmatig handelen zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die zij als gevolg van deze feiten heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het gestelde geestelijk letsel in voldoende causaal verband staat met de door de verdachte gepleegde feiten. De overgelegde informatie van de HSK groep acht de rechtbank, in aanmerking genomen de betwisting door de verdediging, onvoldoende voor de conclusie dat de gepleegde strafbare feiten een noodzakelijke voorwaarde zijn geweest voor het gestelde geestelijk letsel. De rechtbank is aldus van oordeel dat geen sprake is van geobjectiveerd geestelijk letsel als gevolg van onrechtmatig handelen door de verdachte.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door [slachtoffer 1] ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 7.500,-. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het seksueel binnendringen in 2017 aansluiting gezocht bij categorie 15.1 ‘verkrachting’ sub c ‘tamelijk ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Daarin is een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,- opgenomen voor een eenmalige verkrachting. Nu sprake is geweest van seksueel binnendringen bij verminderd bewustzijn, acht de rechtbank een bedrag van € 5.775,- billijk. Voor het nadeel als gevolg van vervaardigen van seksueel getint beeldmateriaal in de periode 2020 tot en met 2021 acht de rechtbank een bedrag van € 2.000,- billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een totaalbedrag van € 6.775,-.

Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het nadeel en wordt het bedrag enigszins afgerond.

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 7.500,-. De verdachte zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1] en het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Wettelijke rente

De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat immateriële schade geacht wordt te zijn geleden op het moment dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. In dit geval hebben de slachtoffers echter pas op een later moment wetenschap verkregen van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank neemt het ontstaan van die wetenschap tot vertrekpunt en wijst de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding toe vanaf de datum van het informatieve gesprek zeden op 7 oktober 2024, tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 1] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 1] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover [slachtoffer 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] .

De vordering van [slachtoffer 2]

De onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn tegenover [slachtoffer 2] aan te merken als onrechtmatig handelen zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die zij door als gevolg van deze feiten heeft geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat het gestelde geestelijk letsel in voldoende causaal verband staat met de door de verdachte gepleegde feiten. Uit de brief van de psycholoog - psychotherapeut volgt namelijk niet als gevolg van welke gebeurtenissen [slachtoffer 2] behandeld wordt. De rechtbank is aldus van oordeel dat geen sprake is van geobjectiveerd geestelijk letsel als gevolg van onrechtmatig handelen door de verdachte.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door [slachtoffer 2] ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 7.500,-. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het seksueel binnendringen in 2019 aansluiting gezocht bij categorie 15.1 ‘verkrachting’ sub c ‘tamelijk ernstig’ van de Rotterdamse schaal. Daarin is een bandbreedte van € 2.500,- tot € 7.500,- opgenomen voor een eenmalige verkrachting. Nu sprake is geweest van seksueel binnendringen tijdens verminderd bewustzijn, acht de rechtbank een bedrag van € 5.775,- billijk. Voor het nadeel als gevolg van vervaardigen van seksueel getint beeldmateriaal in de periode 2020 tot en met 2021 acht de rechtbank een bedrag van € 2.000,- billijk. Na toepassing van de aanbeveling om dit secundaire letsel voor 50% mee te wegen, resteert een totaalbedrag van € 6.775,-.

Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het nadeel en wordt het bedrag enigszins afgerond.

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 7.500,-. De verdachte zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 2] en het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Wettelijke rente

De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat immateriële schade geacht wordt te zijn geleden op het moment dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. In dit geval hebben de slachtoffers echter pas op een later moment wetenschap verkregen van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank neemt het ontstaan van die wetenschap tot vertrekpunt en wijst de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding toe vanaf de datum van het informatieve gesprek zeden op 7 oktober 2024, tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 2] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 2] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover [slachtoffer 2] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

De vordering van [slachtoffer 3]

Het onder 3 bewezenverklaarde feit is tegenover [slachtoffer 3] aan te merken als onrechtmatig handelen zoals bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is daarom verplicht om de schade te vergoeden die zij door als gevolg van deze feiten heeft geleden.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in het onderhavige geval meebrengen dat de in dit verband door [slachtoffer 3] ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt de geleden immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.200,-. De verdachte zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 3] en het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

Wettelijke rente

De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en de immateriële schade wordt geacht te zijn geleden op het moment dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. Ook in dit geval wijst de rechtbank de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding toe vanaf de datum van het informatieve gesprek zeden op 7 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 3] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die [slachtoffer 3] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover [slachtoffer 3] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.200,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] .

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de op de beslaglijst onder 1, 3 en 4 genoemde voorwerpen. Dit betreft een Samsung Galaxy S24, een Samsung Galaxy S7 en een OPPO Find X2 PRO. Deze voorwerpen zijn volgens de officier van justitie gebruikt voor het plegen van de tenlastegelegde feiten. De onder 2 en 5 op de beslaglijst genoemde voorwerpen kunnen volgens de officier van justitie terug naar de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om teruggave van alle in beslaggenomen goederen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen goederen waarop niets is aangetroffen en het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten de Samsung Galaxy S24. Ten aanzien van deze telefoon is aangevoerd dat de bewezenverklaarde feiten plaatsgevonden hebben vóór 1 januari 2024, terwijl dit toestel pas verkrijgbaar is sinds 2024. De bewezenverklaarde feiten kunnen dan ook niet met behulp van dit voorwerp zijn begaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1, 2 en 5 genoemde voorwerpen. Dit betreft een Samsung Galaxy S24, een Samsung Tab A (T550) en een laptop met voeding en muis van het merk Lenovo. Naar het oordeel van de rechtbank verzet de strafvordering zich niet tot teruggave van deze voorwerpen. Met betrekking tot de Samsung Galaxy S24 overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat dit toestel pas sinds 2024 verkrijgbaar is, zodat de tenlastegelegde feiten daarmee niet begaan zijn.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen, verbeurdverklaren. Dit betreft een Samsung Galaxy S7 en een OPPO Find X2 PRO. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 139h, 243, van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

ten aanzien van feit 2: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

ten aanzien van feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van seksuele aard vervaardigen, meermaals gepleegd ;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179 (2594 AH) Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, op het adres Bezuidenhoutseweg 179 (2594 AH) Den Haag;

- zich gedurende de proeftijd verplicht mee te werken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. De behandeling is gericht op het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en indien dit uit de afgenomen urinecontroles blijkt gericht op verslavingsproblematiek. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

de vorderingen van de benadeelde partijen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige af;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige af;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 2.200, aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging door hen nog te maken kosten;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.200,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 3 en 4 genoemde voorwerpen, te weten: een Samsung Galaxy S7 en een OPPO Find X2 PRO;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 1, 2 en 5 genoemde voorwerpen, te weten: Samsung Galaxy S24, een Samsung Tab A (T550) en een laptop met voeding en muis van het merk Lenovo.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Bruinsma voorzitter,

mr. B.J. van de Griend rechter,

mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.B. Pluim & mr. M. van Straaten, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G. Bruinsma
  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt

Griffier

  • mr. M. van Straaten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand