RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15785
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Baban als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
Claimakkoord op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening
5. Eiser voert aan dat hij een risico loopt om slachtoffer te worden van illegale pushbacks, omdat door acceptatie op de grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid van Kroatië niet vaststaat. De Kroatische autoriteiten kunnen bepalen dat ze niet verantwoordelijk zijn voor de asielaanvraag van eiser en het is onduidelijk hoe de procedure dan verder zal lopen. Als eiser geen aanvraag heeft lopen, is er een kans dat hij op de luchthaven wordt weggestuurd. Daarbij bestaat het risico dat eiser niet herkenbaar is als Dublinclaimant en hij daardoor slachtoffer wordt van een illegale pushback. Het ligt daarom op de weg van de minister om nadere garanties te vragen aan de Kroatische autoriteiten dat zij de asielaanvraag inhoudelijk zullen behandelen. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Door het claimverzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening te accepteren hebben de Kroatische autoriteiten duidelijk gemaakt dat zij voor zichzelf een verplichting zien om eiser terug te nemen met alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Het betreft een terugname met oog op afronding van de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser heeft Kroatië verlaten voordat de Kroatische autoriteiten hebben bepaald welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Er bestaat een kans dat de Kroatische autoriteiten een andere lidstaat verantwoordelijk achten, op grond van de criteria uit Hoofdstuk III van de Dublinverordening. Indien eiser het niet eens is met de uitkomst van deze procedure, kan daarover in Kroatië worden geprocedeerd. Verder is niet gebleken dat vreemdelingen die op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening worden overgedragen aan Kroatië een groter risico lopen op pushbacks dan andere Dublinclaimanten. Er is dan ook geen aanleiding om te vermoeden dat eiser het risico loopt slachtoffer te worden van een illegale pushback, omdat er een claimakkoord ligt op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Daarom hoeft de minister ook geen garanties te vragen aan de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Kroatië is sprake van stelselmatige mishandeling van vreemdelingen, zoals eiser zelf ook heeft meegemaakt. Er is daarom sprake van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Kroatië. Verder is eiser door de Kroatische autoriteiten op geen enkele manier gewezen op rechtshulp. Eiser kreeg geen tolk, geen informatie en geen financiële ondersteuning. Eiser had dus geen mogelijkheid tot klagen. Verder loopt eiser een risico om slachtoffer te worden van een pushback. Het is mogelijk dat hij op de luchthaven wordt weggestuurd, aangezien hij niet herkenbaar is als Dublinclaimant. Hij loopt dan net als andere vreemdelingen het risico op een pushback. Eiser heeft ter onderbouwing verwezen naar 'Veelgestelde Vragen — Dublinterugkeerders Kroatië' van Vluchtelingenwerk Nederland van augustus 2024, het AIDA rapport over Kroatië van 18 augustus 2025, Update 2024, pagina’s 28-30 en 61. Ook wijst eiser op het
rapport 'Access to the territory and push backs' van AIDA van 20 januari 2026. Verder heeft eiser verwezen naar het arrest Y.K. tegen Kroatië, van 17 juli 2025 van het EHRM.2
8. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in de uitspraken van
9 oktober 20243 en 21 november 20254 geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van zijn asielaanvraag in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest5 en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM6 strijdige behandeling. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo.7 Eiser is hierin niet geslaagd.
In de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks op het grondgebied van Kroatië. Hierin is ook geoordeeld dat de theoretische mogelijkheid dat Dublinclaimanten slachtoffer kunnen worden van een pushback, omdat zij niet van andere asielzoekers kunnen worden onderscheiden, niet kan worden gelijkgesteld met de ook uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende eis dat sprake moet zijn van een reëel risico. De informatie waar eiser naar heeft verwezen geeft geen wezenlijk ander beeld dan de informatie die de Afdeling heeft betrokken. Uit het AIDA rapport, Update 2024 volgt weliswaar dat vreemdelingen slechts een adres van een opvanglocatie kregen en gelijk werden weggestuurd van de luchthaven, maar hieruit volgt nog niet dat sprake is van een reëel risico om slachtoffer te worden van een pushback. Het door eiser aangehaalde arrest Y.K. vormt geen aanwijzing voor een andere conclusie, omdat dit geen gelijksoortige situatie betreft. In die zaak ging het om een vreemdeling die Kroatië illegaal was binnengekomen en geen effective remedy had om zijn uitzetting aan te vechten. Eiser zal in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten en daarmee toegang hebben tot de Kroatische asielprocedure. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback na overdracht aan Kroatië.
De verklaring van eiser dat hij geen rechtshulp heeft gekregen, geen tolk, geen informatie, geen financiële ondersteuning, geen opvang en dat hij is mishandeld in Kroatië, maakt nog niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Kroatië zich ten aanzien van Dublinclaimanten niet aan haar
2 Zaaknummer 38776/21.
3 ECLI:NL:RVS:2024:4037.
4 ECLI:NL:RVS:2025:5635.
5 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6 Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
7 Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.
internationale verplichtingen houdt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Kroatische overheid met het claimakkoord heeft aangegeven dat zij het asielverzoek zal behandelen volgens de Europese relevante richtlijnen en verordeningen. Als eiser van mening is dat Kroatië zich niet aan haar internationale verplichtingen houdt, dan kan hij hierover klagen bij de Kroatische autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor hem onmogelijk of zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor de minister zijn verzoek om internationale bescherming inhoudelijk in behandeling dient te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.8 Eiser heeft in Kroatië zeer traumatische gebeurtenissen meegemaakt, die door de minister ook niet zijn bestreden. Op de zitting heeft eiser aangevuld dat het voor hem cultureel onacceptabel was hoe hij werd opgevangen in Kroatië.
10. De minister heeft ter motivering dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid verwezen naar de beoordeling die is gemaakt bij de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. De minister heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 20259 en stelt zich op het standpunt dat hij in dit kader redelijkerwijs mag verwijzen naar de eerdere beoordeling.
11. In de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025 is geoordeeld dat de minister de omstandigheden die hij al heeft betrokken bij de beoordeling of de betrokken lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, redelijkerwijs niet van betekenis hoeft te achten bij de beoordeling of zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen. De Afdeling overweegt hierbij dat uit deze uitspraak niet volgt dat omstandigheden die verband houden met eerdere ervaringen van de vreemdeling in de andere lidstaat, nooit relevant kunnen zijn voor de beoordeling of de minister zijn discretionaire bevoegdheid uitoefent. De minister moet zijn besluit immers deugdelijk motiveren en daarin reageren op wat de vreemdeling hierover heeft aangevoerd.
De rechtbank overweegt als volgt. In de beoordeling of Kroatië zijn internationale verplichtingen nakomt, heeft de minister de ervaringen van eiser in Kroatië betrokken, namelijk dat hij heeft verklaard dat hij is mishandeld en vernederd en dat hij zijn vingerafdrukken gedwongen af moest staan. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser bij voorkomende problemen dient te klagen bij de Kroatische autoriteiten en dat niet is gebleken dat de autoriteiten hem niet zouden helpen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich daarmee voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië leidt tot onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt niet.
8 Dit volgt uit Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
9 ECLI:NL:RVS:2025:717.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen en dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.