RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15298
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde waren, zonder bericht van verhindering, niet aanwezig.
De minister heeft op 14 april 2026, nadat het onderzoek is gesloten, stukken bij de rechtbank ingediend waarin staat dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere
lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 25 augustus 20232 en zittingsplaats Rotterdam van 23 augustus 20233. Ook wijst eiser op meerdere rapporten: een rapport van CPS, het Blackbook of Pushbacks (gepubliceerd door BVMN) en een rapport van Human Rights Watch. Er is volgens eiser sprake van een praktijk van de Kroatische politie, die sinds het voorjaar van 2022 aan de meeste personen die het Kroatische grondgebied binnenkomen de zogenaamde zeven-dagenpapieren geven, terugkeerbesluiten waarin hen wordt bevolen de Europese Economische Ruimte te verlaten. Eiser wijst verder op de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 15 juni 20224 en een toegewezen voorlopige voorziening wegens deze prejudiciële vragen.5
6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet kunnen slagen, omdat deze zijn gestoeld op achterhaalde jurisprudentie. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de rechtbankuitspraken waar eiser naar heeft verwezen zijn vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het jaar 2023. Dat eiser zich in zijn beroepsgronden hier weer op beroept, betreft een herhaling van zetten. Over de rapporten waar eiser in zijn beroepsgronden naar wijst, heeft de minister in het bestreden besluit aangegeven dat niet is toegelicht naar welke rapporten eiser precies verwijst. Eiser specificeert namelijk niet van welke datum deze rapporten zijn, waardoor er op meerdere rapporten gedoeld kan worden. Dit wordt in de gronden van beroep ook niet duidelijk. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht, ook niet op de zitting verschenen om hier nader uitleg over te geven.
7. De prejudiciële vragen van 15 juni 2022 waar eiser naar verwijst, zijn op
29 februari 2024 door het Hof van Justitie van de Europese Unie beantwoord in het arrest X6 en hier heeft de Afdeling op 4 september 2024 einduitspraak op gedaan.7 Wat eiser met de verwijzing naar deze prejudiciële vragen heeft willen bereiken, is de rechtbank onduidelijk.
8. De minister heeft in het bestreden besluit recentere jurisprudentie aangehaald. Hieruit volgt, kort gezegd, dat de minister ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat in Kroatië de grondrechten, het Unierecht en internationale verdragen (zoals het EVRM) worden nageleefd. Eiser heeft dit niet weerlegd. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Conclusie en gevolgen
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 ECLI:NL:RBDHA:2023:15093.
3 Zaaknummer NL23.16470 (niet gepubliceerd).
4 ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
5 Uitspraak van 27 oktober 2023, zaaknummer NL23.32136 (niet gepubliceerd).
6 ECLI:EU:C:2024:195.
7 ECLI:NL:RVS:2024:3455.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen en dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 april 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.