RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14937
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hiervan geen sprake is en heeft de medische situatie van eiser ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. Eiser wijst hierbij op de operatie waarbij blaasstenen zijn verwijderd en waarvoor hij nazorg nodig heeft. Ook heeft de minister niet toegezegd dat hij, als de vreemdeling daarmee instemt, de Duitse autoriteiten zal informeren over de eventuele bijzondere zorgbehoeften van eiser en dat hij hem niet zal overdragen als de Duitse autoriteiten melden dat zij niet aan die behoeften kunnen voldoen. Ook heeft de minister onvoldoende kunnen beoordelen of er een situatie zoals beschreven in het C.K.- arrest zich voordoet, omdat de medische stukken onvoldoende betrokken zijn. Daardoor is de minister tot een onjuiste conclusie gekomen.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft met zijn medische stukken niet aannemelijk gemaakt dat bij overdracht sprake is van aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Uit zijn medische stukken blijkt dat hij is geopereerd voor blaasstenen, dat de operatie is geslaagd en dat hij nog nazorg krijgt voor zijn wond/litteken. Hieruit is niet gebleken dat de overdracht aan Duitsland zelf zou leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand, als bedoeld in het C.K.-arrest. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de door eiser gestelde omstandigheden niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft die omstandigheden in het bestreden besluit voldoende zorgvuldig en gemotiveerd in zijn beoordeling betrokken. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in beginsel van uitgaan dat de benodigde medische zorg in Duitsland aanwezig is. Ook in Duitsland kan hij (na)zorg krijgen voor zijn medische problemen. De minister heeft in het besluit al aangegeven dat indien eiser instemt met het delen van zijn medische informatie, de minister op grond van artikel 32 van de Dublinverordening de Duitse autoriteiten zal informeren over de medische bijzonderheden van eiser. Er is geen reden om aan te nemen dat zij niet aan de behoeften van eiser kunnen voldoen. De beroepsgronden van eiser slagen niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het asielverzoek van eiser terecht niet in behandeling is genomen en dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2026
griffier rechter
De rechter is verhinderd
deze rectificatie te ondertekenen
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.