ECLI:NL:RBDHA:2026:10174

ECLI:NL:RBDHA:2026:10174

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer C/09/702597 / KG ZA 26/351
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Executiegeschil. Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Verhuurder maakt met tenuitvoerlegging van een arrest van het gerechtshof op basis waarvan aan huurder (eiser) ontruiming van de woning is aangezegd geen misbruik van executie; geen sprake van een misslag in het arrest en ook geen noodtoestand aan zijde van huurder.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/702597 / KG ZA 26/351

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 3 april 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.J.A. Bosch te Rotterdam,

tegen:

STICHTING WOONINVEST te Voorburg,

gedaagde,

advocaat mr. S.F. Dik te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘Wooninvest’.

Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. D. de Gelder, griffier.

Tevens zijn aanwezig:

Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1. De gronden van de beslissing

[eiser] huurt sinds 22 december 2022 van Wooninvest de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is gelegen op de elfde verdieping van een uit twaalf verdiepingen bestaand flatgebouw. Op 16 februari 2023 heeft zich een incident voorgedaan tussen [eiser] en één van de in opdracht van Wooninvest ingeschakelde schilders die werkzaamheden verrichtten in het flatgebouw, waaronder op het balkon van [eiser] . [eiser] heeft één van de schilders op zijn arm geslagen met een metalen staaf.

Wooninvest heeft [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter en de ontbinding van de huurovereenkomst met [eiser] gevorderd. Wooninvest heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] zich niet als een goed huurder heeft gedragen, terwijl hij door zijn gedrag in strijd met artikel 9.2 van de algemene huurvoorwaarden de uitvoering van werkzaamheden heeft belemmerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 20 juli 2023 het door Wooninvest gevorderde toegewezen. Het verweer van [eiser] dat hij uit noodweer heeft gehandeld is verworpen. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij kort gedingvonnis van 22 november 2024, na een belangenafweging, de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter geschorst totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen.

Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2025 is [eiser] wegens mishandeling veroordeeld tot en taakstraf van 80 uur. [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het strafvonnis is ten tijde van deze mondelinge uitspraak nog niet onherroepelijk.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 10 februari 2026 (hierna: het arrest) het vonnis van de kanonrechter bekrachtigd. Het gerechtshof heeft onder meer als volgt overwogen:

“Hoewel de schilderwerkzaamheden ongetwijfeld enig ongemak veroorzaak zullen hebben, moet [eiser] deze noodzakelijke werkzaamheden dulden (op grond van artikel 7:220 lid 1 BW en artikel 9.2 Algemene Huurvoorwaarden). Het gaat niet aan dat [eiser] een schilder, die noodzakelijke werkzaamheden uitvoert, mishandelt met een metalen staaf. [eiser] heeft hiermee de grenzen van het toelaatbare ver overschreden. Dit vormt grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en als gevolg daarvan ontruiming van het gehuurde, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen. (…) Het beroep van [eiser] op verzachtende omstandigheden (hartproblemen, mantelzorg, artikel 8 EVRM) baat hem niet. Eigen aan ontbinding van de huurovereenkomst is immers dat de huurder zijn woning verliest. Bovendien heeft [eiser] de tijd gehad om zich eerder als woningzoekende in te schrijven, maar heeft hij daarvoor niet gekozen. Dat [eiser] hartproblemen heeft (gehad) waarvoor hij is behandeld, wil het hof op basis van de medische stukken wel aannemen, maar dat op dit moment sprake is van ‘hartfalen’ (een aandoening waarbij het hart niet in staat is voldoende bloed rond te pompen om aan de behoeften van het lichaam te voldoen) is onvoldoende onderbouwd. Evenmin is onderbouwd waarom zijn huidige hartconditie en de te verlenen mantelzorg behoud van de woning noodzakelijk maken zodat dit aan de ontbinding en ontruiming in de weg zou moeten staan. Hoe dan ook is de tekortkoming van [eiser] ernstig en zeker niet van ‘geringe betekenis’ of van een dusdanig bijzondere aard dat deze ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Ook zijn er geen overige omstandigheden die maken dat de tekortkoming van onvoldoende gewicht is om de ontbinding met zijn gevolgen te rechtvaardigen. (…)”

Het arrest is op 30 maart 2026 aan [eiser] betekend en hem is bevel gedaan om binnen drie dagen de woning te ontruimen en te verlaten. Daarbij is aangezegd dat als [eiser] daaraan niet voldoet, de woning op donderdag 9 april 2026 om 08.00 uur zal worden ontruimd.

[eiser] heeft een cassatieadvocaat ingeschakeld die hem heeft geadviseerd over zijn kansen om het arrest in cassatie aan te vechten. Het cassatie-advies heeft [eiser] in deze kort gedingprocedure overgelegd. Ook heeft [eiser] een concept procesinleiding overgelegd, waarin de cassatiemiddelen tegen het arrest zijn geformuleerd en waarin tot vernietiging van het arrest wordt geconcludeerd.

[eiser] heeft de woning niet ontruimd.

[eiser] vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het arrest Wooninvest wordt geschorst totdat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en hij vordert dat de hem aangezegde ontruiming wordt afgelast dan wel ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom. Wooninvest voert verweer tegen het gevorderde.

Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.

Het gerechtshof heeft in zijn arrest van 10 februari 2026 het uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, en met het wijzen van het arrest is de eerdere schorsing van het vonnis van de kantonrechter door de voorzieningenrechter geëindigd. Dat betekent dat als uitgangspunt geldt dat Wooninvest het arrest ten uitvoer mag leggen, ook al zou [eiser] tegen het arrest in cassatie gaan, zoals hij heeft aangekondigd. Er kan aanleiding zijn om af te wijken van dit uitgangspunt als er sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand (waarbij hij in de woning kan blijven) zolang in cassatie nog niet is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Wooninvest bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis. Bij deze belangenafweging moet, behalve als in het arrest sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, worden uitgegaan van het bestreden arrest en van de vaststellingen en oordelen in dat arrest. De kans van slagen van het cassatieberoep blijft in principe buiten beschouwing.

In cassatie zal worden uitgegaan van de feiten zoals deze door het gerechtshof in het arrest zijn vastgesteld. Dat er iets schort aan de feitenvaststelling door het hof is gesteld noch gebleken.

Namens [eiser] is aangevoerd dat zijn cassatieberoep zeker kans van slagen heeft. Hij heeft in dat verband een beroep gedaan op het uitgebrachte cassatieadvies en de concept procesinleiding in cassatie. In het cassatieadvies wordt onder meer ingegaan op de vraag of het gerechtshof de gedragingen van [eiser] (het slaan van de schilder) hem in zijn positie als huurder heeft mogen toerekenen. Zowel de kantonrechter als de meervoudige kamer van het gerechtshof hebben geoordeeld dat de gedraging van [eiser] beëindiging van de huurrelatie rechtvaardigt, en zij hebben dus een relevant verband aanwezig geacht tussen zijn gedraging en zijn positie als huurder. Van een juridische misslag in het arrest is dan ook geen sprake. Dat over de juridische waardering van de gedraging van [eiser] anders gedacht kan worden, maakt niet dat sprake is van een ‘misslag’. Overigens wordt ook in het cassatieadvies als uitgangspunt genomen dat de kans van slagen van een cassatieberoep als klein wordt gezien, waarmee impliciet wordt bevestigd dat van een werkelijke misslag geen sprake is.

Daarmee blijft de vraag over of Wooninvest door de tenuitvoerlegging van het arrest misbruik van executie maakt vanwege een noodtoestand bij [eiser] . Daarvoor is van belang of er sprake is van omstandigheden die zijn opgekomen nadat het gerechtshof arrest heeft gewezen. Dat [eiser] hartproblemen heeft (gehad) vond het hof aannemelijk, maar onvoldoende zwaarwegend. Het hof heeft geoordeeld dat van hartfalen geen sprake is en dat niet is onderbouwd waarom de huidige hartconditie van [eiser] behoud van de woning noodzakelijk zou maken zodat dit aan de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in de weg zou moeten staan. [eiser] heeft op 19 maart 2026 de spoedeisende hulp heeft bezocht en op 20 maart 2026 is hij op de polikliniek cardiologie van het Haaglanden MC gezien in verband met zijn hart. Dit zijn weliswaar feiten van nadat het arrest is gewezen, maar zonder af te doen aan de aanleiding voor deze bezoeken, is niet aannemelijk dat sprake is van nieuwe, ingrijpende medische ontwikkelingen bij [eiser] die maken dat Wooninvest misbruik maakt van haar bevoegdheid tot executie van het vonnis. Andere nieuwe ontwikkelingen die niet eerder meegewogen konden worden zijn niet naar voren gekomen. De vorderingen tot het ontzeggen van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het arrest en het afgelasten van de ontruiming van de woning worden daarom afgewezen.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wooninvest worden begroot op:

- griffierecht € 735,00

- salaris advocaat € 1.177,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 2.101,00

2. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Wooninvest van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

WAARVAN PROCES-VERBAAL,

…………………………………. …………………………………

mr. D. de Gelder mr. H.J. Vetter

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D. de Gelder mr. H.J. Vetter De voorzieningen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand