RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
uitspraak buiten zitting
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14503
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. H. Postma),
en
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 2 april 2026 heeft de minister toegezegd een BMA-onderzoek op te starten, gelet op de medische stukken die verzoeker heeft overgelegd.
De behandeling van het beroep van verzoeker, NL26.14502, is op 3 april 2026 om die reden aangehouden.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op de zitting van 7 april 2026 is het beroep en de voorlopige voorziening van de neef van verzoeker, [naam] besproken. Tijdens deze zitting is de voorlopige voorziening van zijn neef toegewezen (NL26.14508), vanwege het BMA-onderzoek van verzoeker. Ook is besproken dat de zaken van verzoeker en zijn neef in enige zin samenhangen en is aan de gemachtigden (verzoeker en zijn neef hebben dezelfde gemachtigde) voorgelegd of ook in deze zaak de voorlopige voorziening zou kunnen worden toegewezen om te voorkomen dat de procedures en termijnen van beide zaken uit elkaar gaan lopen. Verzoeker is hier op de zitting mee akkoord gegaan, de minister heeft na de zitting schriftelijk laten weten dat hij hier ook mee kan instemmen.
3. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 april 2026