Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700978 / KG ZA 26/248
Vonnis in kort geding van 17 april 2026
in de zaak van
[eiser] woonplaats kiezende te [plaats],
eiser,
advocaat mr. J. de Haan te Koog aan de Zaan,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 maart 2026 met producties 1 tot en met 9;
- de akte houdende een wijziging van eis van 1 april 2026;
- de op 2 april 2026 van de zijde van [eiser] overgelegde productie 10;
- de op 3 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van de Staat pleitnotities zijn overgelegd.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is op 7 mei 2025 in de strafzaak met parketnummer 21-003084-24 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van voorarrest. Hij heeft op 15 mei 2025 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld. Met ingang van 10 juli 2025 is [eiser] feitelijk in vrijheid gesteld nadat het gerechtshof (in afwachting van het cassatieberoep dat door [eiser] was ingesteld) [eiser] uit de voorlopige hechtenis had geschorst.
[eiser] is op 29 juli 2025 in de strafzaak met parketnummer 21-003838-22 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot (onder andere) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. Op 7 augustus 2025 heeft [eiser] cassatieberoep tegen het arrest aangetekend.
Op 2 december 2025 is [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep in de strafzaak waarin hij is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden (strafzaak 21-003084-24). Daarmee is de veroordeling onherroepelijk geworden.
Op 8 december 2025 heeft [eiser] het cassatieberoep in de strafzaak waarin hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden (strafzaak 21-003838-22) ingetrokken, waarmee de veroordeling onherroepelijk is geworden. De advocaat van [eiser] heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gevraagd om de akte intrekken rechtsmiddel toe te zenden.
Op 10 december 2025 heeft [eiser] van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) een brief ontvangen waarin hij (in de strafzaak 21-003084-24) voorwaardelijk in vrijheid is gesteld (hierna ook: v.i.). Daarbij is als voorwaarde gesteld dat [eiser] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan het plegen van een (nieuw) strafbaar feit. De proeftijd is op 365 dagen gesteld. Beslist is dat wanneer [eiser] de voorwaarde niet nakomt, de v.i. kan worden herroepen voor een periode van 59 dagen.
De akte intrekking rechtsmiddel in de strafzaak 21-003838-22 is op 13 januari 2026 door de advocaat van [eiser] ontvangen. Op 15 januari 2026 heeft hij namens [eiser] het OM een verzoek gedaan tot herziening van de v.i.-beslissing van 10 december 2025. Daarbij is toegelicht dat naast de zaak waarin [eiser] v.i. is verleend, sprake is van nog een strafrechtelijke veroordeling en dat het daartegen ingestelde cassatieberoep op 8 december 2025 is ingetrokken. Omdat de akte intrekking van die zaak pas op 13 januari 2026 is ontvangen en volgens [eiser] vermoedelijk niet vóór de v.i.-beslissing bij het OM terecht is gekomen, veronderstelt hij dat die gevangenisstraf ten onrechte niet is meegenomen in de beslissing tot v.i. [eiser] stelt zich op het standpunt dat dit op grond van de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling (2021A001) (hierna: de Aanwijzing) wel had moeten gebeuren omdat beide onvoorwaardelijke gevangenisstraffen als één vrijheidsstraf moeten worden aangemerkt, waarbij de v.i. over het totaal (in dit geval dus 16 maanden + 8 maanden = 24 maanden) moet worden verleend.
Het CJIB heeft de advocaat van [eiser] bericht dat het CJIB het verzoek om herziening zal afwijzen. Daarbij is toegelicht dat voor het samenvoegen van een v.i-.waardige straf met een niet-v.i.-waardige straf sprake moet zijn van een aansluitende detentie, waarvan in het geval van [eiser] geen sprake is omdat hij al in juli 2025 in vrijheid is gesteld. Het CJIB heeft dit standpunt ook na verdere correspondentie met de advocaat van [eiser] niet herzien.
Op 3 maart 2026 is [eiser] aangehouden voor de tenuitvoerlegging van de openstaande gevangenisstraf van 8 maanden.
3. Het geschil
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – na wijziging van eis, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen, dan wel voorlopig te oordelen, dat de gevangenisstraffen opgelegd onder parketnummer 21-003838-22 en 21-003804-24 voor de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering als één vrijheidsstraf dienen te worden aangemerkt;
de Staat (i) primair te bevelen om [eiser] in vrijheid te stellen na het verstrijken van 59 dagen detentie in het kader van parketnummer 21-003838-22, derhalve op 1 mei 2026, dan wel (2) subsidiair te bepalen dat de Staat onmiddellijk, althans binnen de kortst mogelijke door de voorzieningenrechter te bepalen termijn – maar in ieder geval voor 1 mei 2026 – tot herziening van de v.i.-beslissing inzake de strafzaken met parketnummer 21-003804-24 en 21-003838-22 over dient te gaan, met inachtneming van de artikelen 6:2:6 en 6:2:10 Sv althans (3) meer subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;
de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
De Staat handelt onrechtmatig door de v.i.-beslissing niet op beide onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van [eiser] toe te passen, maar alleen op de gevangenisstraf van 16 maanden (strafzaak 21-003084-24). [eiser] meent dat de gevangenisstraf in de strafzaak waarvoor hij 8 maanden gevangenisstraf heeft gekregen met de gevangenisstraf van 16 maanden op grond van artikel 6:2:6 Sv als één vrijheidsstraf moet worden aangemerkt omdat beide straffen onherroepelijk waren voorafgaand aan de v.i.-beslissing van 10 december 2025 en de tenuitvoerlegging van deze straffen nog niet was aangevangen. Daarmee handelt de Staat onder meer in strijd met bepaalde in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering (Sv).
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Op grond van artikel 6:2:6 Sv geldt dat als een veroordeelde meer dan één straf achtereenvolgens moet ondergaan, deze zoveel mogelijk aaneensluitend ten uitvoer worden gelegd. Daarbij is bepaald dat geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis die moet worden ondergaan, als één vrijheidsstraf aangemerkt worden voor de toepassing van artikel 6:2:10.
De onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 8 maanden (strafzaak 21-003838-22) die [eiser] is opgelegd, is op grond van artikel 6:2:10 lid 1 Sv op zichzelf geen v.i-.waardige straf omdat daarvan pas sprake kan zijn als een gevangenisstraf meer dan een jaar bedraagt. In de redenering van [eiser] kan de tijd die hij in strafzaak 21-003084-24 in detentie heeft doorgebracht niet gelden als ‘tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf’, omdat deze gevangenisstraf pas op 2 december 2025 (datum uitspraak Hoge Raad) onherroepelijk is geworden. Nu de gevangenisstraf van 8 maanden (strafzaak 21-003838-22) niet onder de v.i.-regeling is gebracht loopt hij ten onrechte de v.i.-korting op die gevangenisstraf mis, aldus [eiser].
Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de situatie van artikel 6:2:6 onder b Sv zich in het geval van [eiser] niet voordoet. Er worden (of zijn) in zijn situatie niet meer vrijheidsstraffen ‘aaneensluitend’ ten uitvoer gelegd of te leggen. Toen in strafzaak 21-003084-24 op 10 december 2025 de opgelegde vrijheidsstraf van 16 maanden onherroepelijk werd, verbleef [eiser] al enkele maanden niet meer in detentie. De verleende v.i. voor de gevangenisstraf in zaak 003084-24 heeft tot gevolg gehad dat er (voorwaardelijk) ook niets meer te executeren viel. Hij is pas op 3 maart 2026 weer in detentie genomen en wel uitsluitend voor de tenuitvoerlegging van de op dat moment enige resterende onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 8 maanden (strafzaak 21-003838-22). Daarmee is van een aaneensluitende tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de zin van artikel 6:2:6 onder b Sv vanzelfsprekend geen sprake.
De Staat heeft er daarbij (subsidiair) ook nog met juistheid op gewezen dat zelfs als het strafrestant van 59 dagen (waarover v.i. is verleend) wel alsnog ten uitvoer zou zijn gelegd toen het strafvonnis onherroepelijk werd, dit in combinatie met de gevangenisstraf van 8 maanden evenmin tot integrale toepassing van de v.i.-regeling had kunnen leiden. Het totaal van die straffen zou minder dan een jaar bedragen, zodat op grond van artikel 6:2:10 lid 1 Sv niet aan de voorwaarde voor voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden voldaan. De redenering van [eiser] dat in die situatie alsnog uitgegaan zou moet worden van de in totaliteit opgelegde gevangenisstraf van 16 maanden - en dus niet het strafrestant – volgt de voorzieningenrechter niet. Voor de toepassing van artikel 6:2:10 lid 1 Sv ligt het in de rede om uit te gaan van aaneensluitende periode van een jaar van effectieve vrijheidsbeneming. De omstandigheid dat de Staat de v.i.-beslissing niet heeft willen herzien, is dan ook niet onrechtmatig geweest. Niet gebleken is dat [eiser] ten onrechte een korting op zijn gevangenisstraf van 8 maanden is ontzegd.
Nu de aan [eiser] twee opgelegde gevangenisstraffen voor de toepassing van art. 6:2:10 lid 1 Sv niet als één vrijheidsstraf dienen te worden aangemerkt, komt het gevorderde onder I niet voor toewijzing in aanmerking. Het gevorderde onder II wordt om dezelfde reden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
ddg