ECLI:NL:RBDHA:2026:10195

ECLI:NL:RBDHA:2026:10195

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer NL24.17198
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK, verblijfsrecht van een Belgische gemeenschapsonderdaan beëindigd dan wel ontzegd en ongewenstverklaring. De rechtbank oordeelt dat de ongewenstverklaring stand kan houden. Dit heeft tot gevolg dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de beëindiging dan wel ontzegging van zijn EU-verblijfsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.17198

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. N.N. Bontje en mr. R. van der Straten).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan beëindigd dan wel ontzegd en hem ongewenst verklaard.

Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 18 april 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 15 mei 2024 beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft op 28 november 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Het bestreden besluit

Inleiding

1. Eiser is op [geboortedatum] 1985 geboren in [geboorteplaats] en heeft de Belgische nationaliteit. Op 11 augustus 2022 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden wegens overtreding van artikel 3, onder A, B en C, van de Opiumwet (ECLI:NL:RBROT:2022:7156). Uit het strafvonnis blijkt dat eiser zich op 5 mei 2022 schuldig heeft gemaakt aan de invoer van verdovende middelen door via Rotterdam The Hague Airport twee koffers met in totaal 46 kilogram hasjiesj Nederland binnen te brengen. Het vonnis van de rechtbank is onherroepelijk geworden. Volgens eiser is hij in juni 2023 vrijgekomen uit detentie.

2. Bij het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, heeft verweerder eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan beëindigd dan wel ontzegd op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en hem ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder vormt het persoonlijke gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij heeft verweerder gewezen op eisers strafrechtelijke veroordeling van 11 augustus 2022. Daarnaast heeft verweerder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat uit het Belgisch strafblad van eiser blijkt dat hij in België voor tientallen strafbare feiten is veroordeeld (waaronder voor een opiumdelict), wat duidt op een bestendig crimineel patroon, een gebrek aan respect voor wet- en regelgeving en ongevoeligheid voor eerdere straffen. Er zijn geen aanwijzingen dat eisers omstandigheden of normbesef thans zodanig zijn verbeterd dat het risico op nieuwe misdrijven is weggenomen. Verder heeft verweerder gesteld dat eiser in België woont en dat zijn banden met Nederland beperkt zijn. Verweerder ziet in eisers persoonlijke omstandigheden dan ook geen aanleiding om van verblijfsbeëindiging/-ontzegging en/of ongewenstverklaring af te zien. Volgens verweerder is de verwijdering van eiser ook niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het oordeel van de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

4. Uit artikel 67, derde lid, van de Vw volgt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben zolang zijn ongewenstverklaring voortduurt. Dat betekent dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van de beëindiging/ontzegging van zijn verblijfsrecht zolang de ongewenstverklaring geldt. Gelet hierop zal de rechtbank eerst beoordelen of de ongewenstverklaring stand kan houden, waarbij de rechtbank wel ten volle betrekt wat eiser heeft aangevoerd tegen de beëindiging/ontzegging van zijn verblijfsrecht. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2984, rechtsoverwegingen 4 t/m 4.2.

Bedreiging voor de openbare orde

5. Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat zijn gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, zoals bedoeld in artikel 27, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) en artikel 8.22, eerste lid, van het Vb. Volgens eiser is de toetsingsmaatstaf die verweerder in het besluit heeft gehanteerd onjuist. Verder stelt eiser dat zijn gedrag geen actuele bedreiging meer vormt voor de openbare orde, omdat hij zijn gedrag heeft gebeterd. Dit volgt uit zijn goede gedrag tijdens detentie in samenhang met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het plegen van het strafbare feit in Nederland. Sinds zijn invrijheidsstelling in juni 2023 heeft hij ook geen strafbare feiten meer gepleegd. Eiser stelt zich te hebben ontwikkeld in zijn gedrag en denkbeelden en andere sociale en maatschappelijke aspecten. De bewijslast om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van de ongewenstverklaring ligt bij verweerder en daarin is hij niet geslaagd, aldus eiser. Verder stelt eiser dat diverse tegenwerpingen van verweerder feitelijk onjuist zijn. Zo is er geen sprake van dat hij in tientallen strafzaken in België is veroordeeld.

Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan verweerder een vreemdeling ongewenst verklaren, indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan verweerder een vreemdeling ongewenst verklaren indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van de Vw. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 19 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:186, volgt dat verweerder ook een gemeenschapsonderdaan ongewenst kan verklaren, maar dat hij daartoe dan wel op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb dient te beoordelen of diens persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en (voldoende) ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Dit zogenaamde ‘Unierechtelijke openbare orde-criterium’ (neergelegd in artikel 27 van de Verblijfsrichtlijn) geldt dus ook als voorwaarde voor de verblijfsbeëindiging/-ontzegging van een gemeenschapsonderdaan. Eiser betwist dat aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium is voldaan.

De rechtbank overweegt dat eiser bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis van 11 augustus 2022 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden wegens het invoeren van 46 kilogram hasjiesj. Dit betreft, zo staat in het strafvonnis, een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van drugsgebruik, drugshandel en daarmee samenhangende sociale en maatschappelijke problemen. Ook uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het arrest van 23 november 2010, ECLI:EU:C:2010:708, Tsakouridis, volgt dat dit soort (georganiseerde) drugsdelicten ernstig zijn en een rechtstreekse bedreiging kunnen vormen voor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking als geheel of een groot deel daarvan. In het strafvonnis heeft de rechtbank verder overwogen dat eiser zich weinig heeft aangetrokken van de negatieve maatschappelijke gevolgen van zijn gedragingen en dat hij heeft bekend dat hij zich louter heeft laten leiden door financieel gewin om zo te trachten uit zijn financiële problemen te komen.

Verder blijkt uit het 14 bladzijden tellende uittreksel uit het European Criminal Records Information System (Ecris-uittreksel) van 8 februari 2024 dat eiser eerder in België meermalen en gedurende een reeks van jaren is veroordeeld voor diverse strafbare feiten, waaronder verkeersovertredingen, (ernstige) geweldsdelicten, afpersing, diefstal en een strafbaar feit in verband met illegale handel in verdovende middelen die niet louter voor eigen gebruik zijn bestemd. Eiser is door de Belgische rechter ook een behoorlijk aantal keren veroordeeld tot gevangenisstraffen, variërend van 7 tot 24 maanden.

Eiser heeft gesteld dat het niet klopt dat hij in België is veroordeeld in verband met verdovende middelen (hoorzitting van 1 december 2022). Volgens hem is hij enkel aangehouden in een café en had een persoon die naast hem zat 0,01 gram drugs in zijn bezit. De rechtbank volgt dit niet. Uit het Ecris-uittreksel volgt namelijk dat eiser is veroordeeld tot 70 uren werkstraf, subsidiair 6 maanden gevangenisstraf, en een boete van € 8.000,-, subsidiair 90 dagen gevangenisstraf, alsmede confiscatie, in verband met illegale handel in verdovende middelen die niet louter voor eigen gebruik zijn bestemd, welke veroordeling onherroepelijk is geworden op 26 december 2019. Dit betreft dus niet enkel een aanhouding. De ter zitting namens eiser geponeerde stelling dat het Ecris-uittreksel niet juist is, volgt de rechtbank ook niet, nu concrete aanknopingspunten of een onderbouwing voor die stelling ontbreken. De rechtbank volgt ook niet het betoog dat eiser zijn gevangenisstraffen in België zou hebben afgekocht. Ook deze stelling is niet onderbouwd en bovendien laat dit onverlet dat uit het Ecris-uittreksel blijkt dat eiser in België voor meerdere gepleegde strafbare feiten is veroordeeld tot meerdere gevangenisstraffen, die niet mals waren.

Gelet op eisers strafrechtelijke veroordeling in Nederland wegens de invoer van drugs en op de omvang, aard en herhaling van de in het Ecris-uittreksel vermelde strafbare feiten waarvoor eiser in België is veroordeeld, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een ‘werkelijke’ en ‘voldoende ernstige’ bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving, meer specifiek de openbare orde, vormt.

Vervolgens is aan de orde of de hiervoor vastgestelde bedreiging voor de openbare orde nog ‘actueel’ is. De rechtbank acht hiervoor het volgende van belang.

Verweerder heeft zich in de eerste plaats terecht op het standpunt gesteld dat het drugsdelict waarvoor eiser in Nederland is veroordeeld relatief kort geleden is gepleegd. Verder heeft verweerder terecht gesteld dat eiser in België al eens eerder (in 2019) is veroordeeld voor een drugsdelict en dat dit betekent dat er sprake is van recidive op het gebied van drugsdelicten. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat het Ecris-uittreksel blijk geeft van een al jarenlang bestaand crimineel patroon, een gebrek aan respect voor wet- en regelgeving en ongevoeligheid voor eerdere straffen, waaronder forse gevangenisstraffen. Deze op eisers gedrag betrekking hebbende feiten en omstandigheden duiden, afzonderlijk maar zeker tezamen bezien, op een aanzienlijk recidiverisico.

Verweerder heeft in het kader van de beoordeling van de actualiteit van de bedreiging ook bekeken of er, zoals eiser stelt, sprake is van een bestendige, positieve gedragsverandering. Verweerder heeft op basis van de door eiser ingebrachte informatie aangenomen dat eiser tijdens zijn detentie in Nederland goed gedrag heeft vertoond, maar heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan dit positieve gedrag in detentie op zichzelf slechts beperkte waarde toekomt. Ter vergelijking wordt verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328, en van 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:73. Eiser heeft verder gesteld dat hij na zijn invrijheidsstelling in juni 2023 zijn leven verder heeft gebeterd, maar dit heeft hij niet onderbouwd met stukken. De omstandigheid dat eiser sinds zijn invrijheidstelling geen strafbare feiten meer heeft gepleegd, is onvoldoende om te oordelen dat de bedreiging die van eisers persoonlijke gedrag uitgaat thans is weggenomen. Immers, eiser is nog niet zo heel lang op vrije voeten en uit het Ecris-uittreksel blijkt dat eiser wel vaker enige tijd geen strafbare feiten heeft gepleegd om vervolgens alsnog terug te vallen in het plegen van strafbare feiten en zijn criminele patroon. Bovendien geldt, en dat acht de rechtbank met verweerder van groot belang, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de omstandigheden die ten grondslag lagen aan het gepleegde drugsdelict (de zogenoemde ‘risicofactoren’), waaronder het streven naar eigen financieel gewin om zijn financiële problemen op te lossen, inmiddels heeft weggenomen. Zo is niet gebleken dat hij zijn financiële situatie op orde heeft en zijn huisvestingsproblemen heeft opgelost. Aldus heeft verweerder terecht gesteld dat de informatie die eiser heeft overgelegd onvoldoende is om te oordelen dat eiser geen misdrijven meer zal plegen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag, naast een ‘werkelijke’ en ‘voldoende ernstige’, ook een ‘actuele’ bedreiging voor de openbare orde vormt.

De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder terecht heeft gesteld dat aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium is voldaan. Het onder 5. weergegeven betoog van eiser slaagt niet.

Persoonlijke omstandigheden en artikel 8 van het EVRM

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn familie- en privéleven in Nederland. De ongewenstverklaring maakt volgens eiser een onevenredige inbreuk op zijn recht op vrij verkeer op grond van de Verblijfsrichtlijn en op zijn rechten op grond van artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank volgt eiser niet. Verweerder heeft terecht gesteld dat niet is gebleken dat eiser beschermenswaardig familie- of gezinsleven in Nederland uitoefent. Eiser heeft enkel verklaard dat een tante, nicht en neef van hem in Nederland wonen en dat hij hen wel eens bezoekt. Dit vormt geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM dat noopt tot een belangenafweging, nu niet is gebleken dat er tussen hem en die familieleden ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan. Eiser heeft zijn gestelde “intensieve banden” met zijn familie in Nederland op geen enkele wijze onderbouwd.

Ook voor een geslaagd beroep op beschermenswaardig privéleven ontbreken aanknopingspunten. Verweerder heeft terecht gesteld dat eisers leven zich afspeelt in België. Activiteiten als incidentele familiebezoeken (in het kader van privéleven) en winkelen in Nederland leveren geen beschermenswaardig privéleven op als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, en zeker geen privéleven dat opweegt tegen het zware openbare orde-belang dat speelt aan de zijde van de Nederlandse staat.

Voor zover eiser met zijn betoog over het evenredigheidsbeginsel een beroep doet op het bepaalde in artikel 28, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.22, eerste lid, tweede volzin, van het Vb, geldt dat zijn persoonlijke omstandigheden, die nauwelijks concreet of met stukken zijn toegelicht, om dezelfde redenen als hiervoor zijn vermeld niet opwegen tegen het zware Nederlandse openbare orde-belang en dus niet in de weg staan aan verblijfsbeëindiging/-ontzegging en/of ongewenstverklaring. Er bestaat ook geen grond voor het oordeel dat verweerder eisers persoonlijke omstandigheden niet of onvoldoende in zijn besluitvorming heeft betrokken. Het onder 6. weergegeven betoog van eiser slaagt niet.

Dubbele bestraffing

7. Volgens eiser vormen de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring – waaronder de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging bij overtreding daarvan en de dreiging met uitzetting – een dubbele bestraffing, leidend tot een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Aangezien het bij zo’n algemene stelling is gebleven en die stelling geenszins steun vindt in het recht – een ongewenstverklaring is immers geen straf en de desbetreffende wettelijke gevolgen zijn inherent aan een ongewenstverklaring – kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Glijdende schaal

8. Voor zover eiser zijn betoog heeft gehandhaafd dat verweerder ten onrechte de ‘glijdende schaal’ van artikel 3.86 van het Vb analoog op hem heeft toegepast, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet slaagt, reeds nu verweerder in het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft vermeld dat een toets aan de ‘glijdende schaal’ (toch) niet aan de orde is, omdat er sprake is van een verblijfsontzegging en niet van een verblijfsbeëindiging.

Uitkomst

9. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden gericht tegen de ongewenstverklaring, bij de beoordeling waarvan ten volle is betrokken wat eiser tegen de beëindiging/ontzegging van zijn verblijfsrecht heeft aangevoerd, niet slagen.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond. Dit betekent dat de ongewenstverklaring in stand blijft. Gelet op wat er onder 4. is overwogen, heeft dat tot gevolg dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de beëindiging dan wel ontzegging van zijn EU-verblijfsrecht. Het beroep daartegen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond;

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de beëindiging dan wel ontzegging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzitter, en mr. C.E. Bos en mr. F.A. Groeneveld, leden, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen
  • mr. C.E. Bos
  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. S. Feijtel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand