ECLI:NL:RBDHA:2026:1022

ECLI:NL:RBDHA:2026:1022, Rechtbank Den Haag, 23-01-2026, 09/071550-25

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-01-2026
Datum publicatie 23-01-2026
Zaaknummer 09/071550-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Mensenhandel, uitbuiting. Verkrachting. Eigen dochter. In minderjarigheid sterk seksueel getinte berichten, pornofilms, pornografische afbeeldingen gezonden. In meerderjarigheid voor webcam seksueel binnengedrongen bij dochter. Seks gehad met dochter in hotel. Uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Onvrije wilsuiting. Maken en voorhanden hebben kinderporno: foto’s, fimpje dochter. Gevangenisstraf vier jaar en zes maanden. Verweer vormverzuimen verworpen. Landeck: onderzoek defecte gegevensdrager en telefoon derde.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/071550-25

Datum uitspraak: 23 januari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1971 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 juli 2025, 20 oktober 2025 (pro forma) en 9 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mrs. P.D. Popescu en S.S. Khawaja naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Inleiding

Definiëren betrokkenen

De rechtbank zal voor de leesbaarheid van dit vonnis veelal gebruik maken van de voornamen van de in de strafzaak betrokken personen. De rechtbank definieert de volgende personen als volgt.

[de verdachte] , hierna ook te noemen: ‘de verdachte’ en/of ‘[de verdachte]’ en/of ‘vader’.

[slachtoffer] , hierna ook te noemen: ‘[slachtoffer]’ en/of ‘slachtoffer’ en/of ‘dochter’.

[moeder] , hierna ook te noemen: ‘ [moeder] ’ en/of ‘moeder’.

De beschuldiging

Aan de verdachte is – kort gezegd- ten laste gelegd dat hij zich, telkens met betrekking tot zijn dochter [slachtoffer] gedurende langere periodes, schuldig heeft gemaakt aan:

1) mensenhandel, al dan niet ten tijde van haar minderjarige leeftijd;

2) verkrachting (oude zedenwet) en/of opzet- dan wel schuldverkrachting (nieuwe zedenwet) van haar terwijl zij op die momenten meerderjarig was;

3) het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal van haar,

4) het plegen van ontuchtige handelingen terwijl zij op die momenten minderjarig was,

5) het seksueel binnendringen terwijl zij in de leeftijd van 12 tot 16 jaar was,

6) het ongevraagd toezenden van pornografisch materiaal aan haar terwijl zij op die momenten nog geen 16 jaar oud was.

Strafbare feiten gepleegd?

Anders dan de meeste zedenzaken kent deze zaak geen oorsprong in de aangifte van het slachtoffer, maar in een melding van een lid van de sportschool (karateclub) waar [slachtoffer] , haar vader, moeder en broer actief waren. [slachtoffer] werd door leden van de sportschool herkend op webcambeelden, waarin te zien was dat verdachte seksuele handelingen bij haar verrichtte. [slachtoffer] heeft verklaard dat dit haar eigen keuze was. Zij is loyaal aan haar vader en ziet zichzelf niet als slachtoffer.

De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde strafbare feiten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 en 5 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 6 tenlastegelegde, een en ander behoudens hetgeen hierna vermeld.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er vrijspraak dient te volgen voor zover de tenlastelegging ziet op het onderdeel ‘beheren’. Volgens de officier van justitie omvat het procesdossier onvoldoende bewijs dat de verdachte de door [slachtoffer] verdiende gelden in beheer had.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verkrachting, nu [slachtoffer] geen vrije keus heeft gehad gelet op het door [de verdachte] gemaakte misbruik van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht als vader en de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde verwijst de officier van justitie naar de foto’s en video’s die op de mobiele telefoon van verdachte zijn aangetroffen waarvan de politie heeft geconstateerd dat deze bestanden aangemerkt kunnen worden als kinderpornografisch materiaal.

Ten aanzien van de gerekwireerde vrijspraken met betrekking tot de feiten 4 en 5 heeft de officier van justitie gesteld dat het procesdossier onvoldoende bewijs omvat dat de verdachte ten tijde van de minderjarigheid van [slachtoffer] bij haar ontuchtige handelingen heeft verricht dan wel seksueel bij haar is binnen gedrongen.

Ten aanzien van feit 6 verwijst de officier van justitie naar de pornofilmpjes en pornografische afbeeldingen die door [de verdachte] aan [slachtoffer] zijn verstuurd terwijl zij op dat moment nog geen 16 jaar was. De officier van justitie vordert vrijspraak voor zover de tenlastelegging ziet op het getuige laten zijn van seksuele handelingen zoals bedoeld in artikel 248d (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De officier van justitie heeft gerekwireerd dat voor het onderzoek aan enkele gegevensdragers die in beslag zijn genomen geen voorafgaande toestemming is gegeven door de rechter-commissaris in strafzaken, maar dat daaraan geen gevolgen moeten worden verbonden. Het betrof een Samsung telefoon, waarschijnlijk van [moeder] (Proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon A07.01 008 p. 4157), een kapotte harde schijf die niet kon worden uitgelezen en een oude prepaid simkaart die vluchtig is bekeken en niet verder tactisch is onderzocht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft (integrale) vrijspraak bepleit van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 6 aan het oordeel van de rechtbank.

De vrijspraken volgen volgens de verdediging primair uit de door de verdediging gestelde onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen van al het bewijs dat vanaf 5 maart 2025 is verzameld door middel van dwangmiddelen en gegevensdragers. Dwangmiddelen zijn onrechtmatig toegepast, omdat er nog geen begin was van verdenking van een strafbaar feit.

Ook heeft de politie in strijd met de onschuldpresumptie gehandeld door het suggestief horen en verbaliseren van de partner van verdachte, door het negeren van belangrijke zaken in de getuigenverhoren en door de OVC-gesprekken onvoldoende waarheidsgetrouw uit te werken. Verder is druk gezet door de (wijze van) aanhouding van de partner en zoon van verdachte, met het kennelijke doel om hen belastende verklaringen te laten afleggen.

Het betreft onder andere de OVC-gesprekken en het app-verkeer tussen verdachte en [slachtoffer] , waardoor er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.

Subsidiair heeft de verdediging zich op de volgende standpunten gesteld.

Ten aanzien van feit 1 is de verdediging van mening dat geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, gelet op de aard en frequentie van het sekswerk. Ook is geen sprake geweest van dwang en is de rol van de verdachte beperkt gebleven tot het maken van foto’s, het geven van instructies m.b.t. prostitutiewerkzaamheden of betaalde webcamseks en het vervoeren van- en naar prostitutieafspraken van [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de seksuele gemeenschap tussen [de verdachte] en [slachtoffer] met wederzijdse toestemming heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging bepleit dat de afbeeldingen en video’s niet als kinderporno kunnen worden gekwalificeerd, omdat zij zijn gemaakt in de huiselijke sfeer en geen onmiskenbare seksuele prikkeling bevatten.

Ten aanzien van de feiten 4, 5 en 6 volgt de verdediging de redenering van de officier van justitie.

Vormverzuimen.

Beoordeling

Voor zover het verweer inzake de vormverzuimen preliminair is gevoerd heeft de rechtbank daarop ter zitting reeds beslist dat niet aannemelijk is geworden dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, zodat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Voor zover de verweren overigens gevoerd zijn als verweer op grond van art. 359a Sv. oordeelt de rechtbank dat in het voorbereidend onderzoek geen onherstelbare vormverzuimen hebben plaatsgevonden. Voor een van de (andere) gevolgen uit dat artikel is dan ook geen plaats.

De rechtbank overweegt daartoe dat er op basis van het proces-verbaal van verdenking van 5 maart 2025 een voldoende stevige verdenking bestond jegens de verdachte waardoor de officier van justitie hem op dat moment als verdachte kon aanmerken als bedoeld in artikel 27 Sv. en de nadien ingezette onderzoeksmethoden legitiem waren. Anders dan de verdediging stelt, doet de inhoud van het proces-verbaal van 6 maart 2025 daaraan niet af. Daarbij merkt de rechtbank op dat bij signalen van mensenhandel een onderzoeksplicht geldt en dat ook de rechter-commissaris in een vroeg stadium heeft geoordeeld dat jegens de verdachte ernstige bezwaren bestonden.

Ten aanzien van onvolkomenheden en onjuistheden bij het horen en verbaliseren van het verhoor van de getuigen en de partner van de verdachte en bij de uitwerking van de OVC-gesprekken, is niet aannemelijk geworden dat sprake was van doelbewust gemaakte fouten, terwijl de bedoelde onvolkomenheden en onjuistheden in ernst en omvang zeer beperkt zijn. Bovendien geldt voor wat betreft de door de verdediging aangevoerde fouten bij de uitwerking van de OVC-gesprekken dat deze zijn hersteld.

Ten aanzien van de aanhouding van de partner en de zoon van de verdachte blijkt uit het dossier dat de aanhouding betrekking had op feiten die zich na de aanhouding van verdachte hebben voorgedaan en die los staan van de zaak jegens verdachte. Daaruit volgt dat het gestelde vormverzuim geen betrekking had op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechtbank nu moet oordelen.

Landeck

Over de kwestie van het ontbreken van toestemming van de rechter-commissaris voor het onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers overweegt de rechtbank als volgt.

Bij het vormverzuim dat voortvloeit uit het Landeck-arrest (Hof van Justitie van de Europese Unie 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830) gaat het om onderzoek naar gegevens op een elektronische gegevensdrager dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt. Het gaat daarbij om de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker van de gegevensdrager.

Defecte schijf

Bij een defecte harde schijf is geen sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en dreigt die ook niet; er is geen sprake van toegang tot gegevens die ook maar op enige wijze kunnen leiden tot conclusies over het privéleven van de gebruiker.

Telefoon derde

Voor zover het onderzoek gedaan wordt aan een gegevensdrager van een andere gebruiker dan verdachte, zoals hier aan de telefoon van [moeder] , doet dat niets af aan de verplichting te voldoen aan de eisen die uit Europese of andere regelgeving voortvloeien. In het kader van de toets van at. 359a Sv moet echter in het oog worden gehouden dat het moet gaan om belangen van verdachte, die geschonden zijn, niet de belangen van anderen. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat hij in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, zodat een beroep op artikel 359a Sv. hem niet baat.

Sim-kaart

Ten aanzien van de sim-kaart is onduidelijk wie daarvan de gebruiker is. Het wordt er in deze zaak dan ook voor gehouden dat verdachte daarvan de gebruiker is geweest. Het onderzoeken van die sim-kaart zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris levert een onherstelbaar vormverzuim op.

De vraag is vervolgens of en, zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beantwoording van die vraag dient rekening te worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Zou de rechter-commissaris om toestemming zijn gevraagd voor onderzoek aan de sim-kaart, dan had deze die toestemming zonder nadere beperkingen kunnen geven. De verdachte is derhalve door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt.

De rechtbank zal dan ook volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en zal daaraan geen gevolgen verbinden.

Vrijspraak feiten 4, 5 en 6, eerste cumulatief/alternatief.

De rechtbank iszoals gevorderd en bepleit, van oordeel dat het strafdossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] ten tijde van haar minderjarigheid (feit 4) als ook het seksueel binnendringen bij [slachtoffer] terwijl zij ouder dan 12 jaar en jonger dan 16 jaar was (feit 5). De rechtbank spreekt de verdachte derhalve vrij van hetgeen aan hem bij de feiten 4 en 5 ten laste is gelegd.

Het zesde feit ziet op het sturen van pornofilmpjes en/of pornografische afbeeldingen aan [slachtoffer] toen zij nog geen 16 jaar oud was. Het eerste cumulatief/alternatief ziet op het getuige laten zijn van seksuele handelingen zoals bedoeld in artikel 248d (oud) WvSr. Daarbij moet het volgens de wet gaan om echte handelingen, al dan niet via een videoverbinding. Beeldmateriaal valt niet onder deze strafbepaling. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal dan ook vrijspraak volgen.

Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en het tweede deel van de tenlastelegging onder 6

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Verweer verdachte

Volgens verdachte heeft hij altijd goede intenties gehad met [slachtoffer] . De berichtjes die hij [slachtoffer] stuurde waren humor die zij beiden verstonden. Hij hielp haar om van het webcammen en escortwerk een succes te maken, alhoewel hij liever had gehad dat [slachtoffer] bij de Marechaussee was gaan werken. Van dwang of van uitbuiting is, mede gelet op de aard en frequentie van het sekswerk, volgens hem geen sprake. Ook stelt hij dat zijn rol beperkt is gebleven tot:

het maken van foto’s,

het geven van aanwijzingen m.b.t. prostitutiewerkzaamheden of betaalde webcamseks

het vervoeren van- en naar prostitutieafspraken van [slachtoffer] .

De seks met zijn meerderjarige dochter was met wederzijds goedvinden. Ongebruikelijk, maar niet strafbaar in de ogen van verdachte en [slachtoffer] , die heeft verklaard dat zij alles uit vrije wil heeft gedaan. De gevonden afbeeldingen en video’s van [slachtoffer] kunnen volgens verdachte niet als kinderporno worden gekwalificeerd, omdat zij zijn gemaakt in de huiselijke sfeer en geen onmiskenbare seksuele prikkeling bevatten.

De rechtbank zal hierna ingaan op de strafrechtelijke verwijten die verdachte gemaakt worden.

Ten aanzien van feit 1 - mensenhandel

Onder 1 wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

Juridisch kader

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) Sr en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.

Gedragingen

De tenlastelegging is opgesplitst in specifieke gedragingen die worden beschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 9 Sr. Voor alle opgesomde gedragingen geldt (voorwaardelijk) opzettelijk handelen, met dien verstande dat voor de gedragingen waarbij het slachtoffer minderjarig is, de opzet en de schuld wordt geobjectiveerd.

De delictsomschrijvingen in sub 2 en sub 5 hebben betrekking op de periode 27 maart 2021 t/m 23 juni 2023, waarin verdachte wordt verweten een ander te werven met het oogmerk van uitbuiting (sub 2) en te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard met en/of voor een derde tegen betaling (sub 5), terwijl de ander de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.

De delictsomschrijvingen in sub 1 en in sub 4 zien op het werven van een ander met het oogmerk van uitbuiting en op het bewegen van een ander zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard, beiden in de periode van 24 juni 2023 tot en met 8 april 2025.

De delictsomschrijving in sub 3 ziet op het bewegen van een ander zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard met en/of voor een derde tegen betaling in een ander land.

De gedraging in sub 6 heeft betrekking op het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander en in sub 9 bestaat de gedraging eruit dat een ander is bewogen om verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met en/of voor een derde.

De in deze zaak aan de orde zijnde dwangmiddelen betreffen ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen moeten objectief worden vastgesteld en kunnen worden afgeleid uit de omstandigheden.

De verdachte moet zich bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te zijn gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. Niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer. Ook wordt voor het bewijs van het misbruik geen verdergaand initiatief en actief handelen van de verdachte vereist dan tot uitdrukking komt in de termen die in de wet staan (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen). Het is niet een zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en ook niet dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht.

Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht is sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Daarbij merkt de rechtbank op dat ‘beperkt’ niet inhoudt dat er sprake moet zijn van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was; de beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter aan te nemen.

Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.

Oogmerk van uitbuiting

Het (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid van artikel 273f Sr door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie en gedwongen of verplichte diensten.

De vraag of sprake is van uitbuiting laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. Het enkele aanwenden van dwangmiddelen levert niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid. Wanneer gebruik is gemaakt van een dwangmiddel is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer] . De rechtbank acht op grond van het verhandelde ter terechtzitting en het strafdossier wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] door verdachte werd geworven met het oogmerk van uitbuiting, ook al tijdens haar minderjarigheid. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer] zich als jong meisje bevond en misbruik gemaakt van het geestelijke overwicht dat verdachte vanuit zijn vaderrol op [slachtoffer] had. Verdachte heeft zich tevens bevoordeeld ten koste van [slachtoffer] .

Dwangmiddelen - Misbruik van kwetsbare positie en overwicht

De rechtbank is van oordeel dat verdachte vanuit zijn vaderrol een psychisch overwicht had op [slachtoffer] , waardoor haar keuzevrijheid beperkt was. Hierdoor was geen sprake van een gelijkwaardige relatie, maar had verdachte een natuurlijk overwicht op [slachtoffer] . De verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer] , waardoor zij geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze had dan de seksuele handelingen te ondergaan.

Verdachte heeft [slachtoffer] vanaf haar vroege puberteit klaargestoomd om, in navolging van haar moeder, betaalde seks-werkzaamheden te gaan verrichten.

Zo blijkt uit het berichtenverkeer tussen verdachte en zijn dochter dat hij haar vanaf haar puberteit regelmatig berichten met seksuele inhoud stuurde, met teksten als: ‘neuken?’ ‘ben jij geil’ en ‘zou jou even lekker likken’ en ‘He als jij gaat douchen dan even goed je k en kontie wassen misschien is er zo nog wat tijd voor een (emoji van een tong en middelvinger)’

Toen [slachtoffer] 17 was appte verdachte haar dat ze seksklanten van haar moeder kon overnemen en vroeg haar om het sekswerk van haar moeder te beschrijven. Ook schreef hij op enig moment: ’Ik ben het kijken van het neuken van je moeder meer als zat en wil graag snel anders Jij kan verandering brengen Maar dan wel even alle energie er op dat ik door kan.’

Het leidde uiteindelijk na de 18e verjaardag van [slachtoffer] tot webcamseks (met verdachte) vanaf haar slaapkamer en escortwerk in Nederland en België. Bij deze activiteiten werd [slachtoffer] gehaald en gebracht door verdachte, die ook in de buurt bleef. Verdachte spoorde [slachtoffer] daarbij aan meer klanten te vinden en meer geld te verdienen. Hij uitte zich daarbij denigrerend en dwingend. In OVC-gesprekken is onder andere te horen: ‘Wat ben jij dom zeg. Je gaat het anders doen anders ga je niet meer zou je wat anders moeten bedenken, of jij moet kunnen leven met de naam goedkope slet’ en ‘hups neuken en pijpen jij, en weer door’ en ‘nu ga je neuken ook (..)Wel gaan neuken nu dan he. Blijven neuken nu Pak dat geld’.

Waar [slachtoffer] zich in het begin nog verzette tegen de handelswijze van haar vader door hem te vragen haar niet te filmen onder de douche en door hem te wijzen op het risico dat filmpjes van haar het hele web overgingen, is [slachtoffer] door de handelswijze van verdachte zodanig beïnvloed dat zij op een gegeven moment niet beter wist. Dit werd versterkt doordat [slachtoffer] door toedoen van haar vader in een (sociaal) isolement terecht kwam. Het sociale leven van [slachtoffer] is zeer beperkt. Zij heeft naar eigen zeggen geen behoefte aan vriendinnen. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat zij om vier uur thuis moest zijn voor het eten in verband met haar sporttrainingen en dat zij geen huissleutel nodig had, omdat verdachte altijd thuis was. Voor haar vervoer van/naar huis en haar onderdak was [slachtoffer] volledig afhankelijk van verdachte.

De rechtbank constateert aan de hand van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier dat [slachtoffer] geen beschikking had over vrienden, een vervolgopleiding, voldoende financiële middelen en een paspoort. Dit heeft geresulteerd in een afhankelijkheidsrelatie waarvan de verdachte misbruik heeft gemaakt.

Deze feitelijkheden in onderling verband en samenhang bezien kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan als dwang.

Door het gebruik van dwangmiddelen is de instemming van het slachtoffer met de uitbuiting niet langer relevant. Dat [slachtoffer] volgens haar eigen verklaring haar werk vrijwillig deed, leidt dan ook niet tot een ander oordeel

(Oogmerk van) uitbuiting

De rechtbank oordeelt voorts dat sprake is geweest van uitbuiting van [slachtoffer] . Dit bestond in eerste instantie uit het maken van erotische foto’s van [slachtoffer] ten behoeve van seksadvertenties en uit het webcamwerk, waarin verdachte een actieve rol speelde door [slachtoffer] te filmen, seksuele handelingen met haar te verrichten en haar instructies te geven. Daarnaast is uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier genoegzaam gebleken dat [slachtoffer] (soms op dwingende wijze) door verdachte werd aangezet tot prostitutie. Zij moest van verdachte steeds weer nieuwe klanten zoeken en langdurig achtereen werken in hotels of sauna’s in Nederland en België (overzicht van werkafspraken van [slachtoffer] in maart en april 2025, p. 1378).

De verdediging heeft aangevoerd dat [slachtoffer] de seksuele handelingen en/of diensten tegen betaling uit eigen beweging heeft gepleegd, waardoor geen sprake is van uitbuiting. De instemming van het slachtoffer is evenwel niet relevant, indien een van de in artikel 273f genoemde dwangmiddelen is gebruikt. Hiervan is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, sprake. Door toedoen van de door verdachte toegepaste dwangmiddelen was de keuzevrijheid van [slachtoffer] om zelf te bepalen of en, zo ja welke seksuele handelingen zij tegen betaling zou verrichten en wat zij vervolgens zou gaan doen met de daaruit voortvloeiende opbrengsten, naar het oordeel van de rechtbank beperkt. Ook haar eigen verklaring dat ze de werkzaamheden vrijwillig verrichtte leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

Voordeel

De rechtbank stelt vast dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer] . Hij heeft verklaard dat hij het contante geld dat werd verkregen uit de seksuele diensten van [slachtoffer] heeft bewaard en afgestort op haar bankrekening. Uit het pv van bevindingen (p. 1075) blijkt evenwel dat na 20 oktober 2023 geen enkele contante storting heeft plaatsgevonden op de ING-rekening op naam van [slachtoffer] . Ook is niet gebleken dat de rekening van [slachtoffer] werd gevoed door bijschrijvingen afkomstig van de rekeningen op naam van [de verdachte] en [moeder] . Wel is in de periode vanaf 20 maart 2020 tot en met 19 maart 2025 in totaal € 214.942,55 contant gestort, waarvan het overgrote deel, namelijk€ 197.034,45, op de rekeningen van [moeder] . De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van deze stortingen afkomstig is van de verdiensten van de partner van verdachte. Gelet op het ontbreken van contante stortingen op de rekening van [slachtoffer] , kan het evenwel volgens de rechtbank niet anders dan dat een deel van de stortingen op rekening van [moeder] afkomstig is van de (contante) verdiensten van [slachtoffer] . Van de laatstgenoemde rekening werden diverse vaste lasten betaald, zoals de huur en de maandelijkse afbetaling aan de schuld van verdachte aan de Rabobank. Bovendien heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] , die zelf geen rijbewijs had, een auto heeft gekocht die op naam van haar moeder is gezet en die door hem werd gebruikt. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte opzettelijk financieel voordeel had van de uitbuiting. Ten slotte werd bij verdachte bij zijn aanhouding een aanzienlijk bedrag in contanten aangetroffen, dat in elk geval voor een deel door [slachtoffer] was verdiend.

Voor de feitelijkheid van het beheren van het geld is het voorgaande eveneens het wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 2- verkrachting

Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij gedwongen seks met [slachtoffer] heeft gehad door misbruik te maken van zijn overwicht als vader en gebruik te maken van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidsrelatie.

Seksuele handelingen

Uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van [geboortedatum 2] 2023 tot 1 juli 2024 meermalen seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht tijdens het zgn. ‘webcammen’. Uit videobeelden blijkt dat verdachte (meermalen) de vagina van [slachtoffer] heeft gepenetreerd met een dildo en met zijn vingers en de mond van [slachtoffer] heeft gepenetreerd met een dildo en met zijn penis.

Dwang

Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Niet is gebleken van geweld of bedreiging met geweld tussen verdachte en [slachtoffer] . De vraag die resteert is dan of sprake is geweest van andere feitelijkheden waardoor verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen. Met ‘feitelijkheid’ wordt bedoeld een gedraging die geschikt is om iemand te dwingen tot hetgeen van hem of haar wordt verlangd.

Uit vaste rechtspraak volgt dat in dat verband moet worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidsrelatie heeft gebracht, dat zij zich daardoor niet tegen die handelingen kon verzetten, of dat verdachte het slachtoffer in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte, (bedreigende) situatie heeft gebracht dat het voor het slachtoffer moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken.

Gelet op hetgeen bij feit 1 is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht als vader en bewust heeft ingespeeld op de kwetsbaarheid en ontvankelijkheid van zijn dochter. Het handelen van verdachte heeft een zodanige psychische druk uitgeoefend op [slachtoffer] en [slachtoffer] in een zodanige afhankelijkheidsrelatie gebracht dat zij zich hieraan niet heeft kunnen onttrekken. Als gevolg van deze afhankelijkheid was het voor [slachtoffer] moeilijk de seksuele handelingen met verdachte te voorkomen en zich daartegen te verzetten. In deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van dwang bij het ondergaan van de seksuele handelingen van verdachte voor de webcam en ook bij het hebben van seks met verdachte.

Ten aanzien van feit 3 - het vervaardigen en bezitten van kinderporno

Verdachte wordt voorts verdacht van het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno, bestaande uit een foto van [slachtoffer] in haar karatepak met ontbloot bovenlichaam, een reeks van drie foto’s waarbij [slachtoffer] onder de douche staat en een video waarin [slachtoffer] eveneens onder de douche staat en door verdachte wordt omgedraaid, zodat haar borsten en vagina in beeld komen. De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen - pv van bevindingen d.d. 9 april 2025 (p. 152-153) en pv van bevindingen d.d. 2 juli 2025, (p. 1335 e.v.) - vast dat de voormelde afbeeldingen en de video zijn gemaakt tijdens de minderjarigheid van [slachtoffer] .

Ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij de reeks van drie foto’s en de video waarin [slachtoffer] onder de douche staat, heeft vervaardigd. Hij heeft voorts het bezit van alle in de tenlastelegging opgenomen afbeeldingen c.q. visuele weergaven bekend.

Gelet op de context van de afbeeldingen waarin [slachtoffer] (half) ontkleed poseert in een niet natuurlijke pose en waarin zij onder de douche staat en waarbij is ingezoomd op haar geslachtsdelen, hebben deze afbeeldingen, anders dan verdachte meent, onmiskenbaar een seksuele strekking hebben en vallen zij derhalve onder een ‘afbeelding van een seksuele gedraging’ als bedoeld in artikel 240b (oud) Sr. Door de wijze waarop de beelden zijn vervaardigd – waarbij de aandacht is gevestigd op de billen, borsten en de vagina - is de rechtbank voorts afdoende gebleken van opzet om deze beelden te vervaardigen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3 en 6, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 27 maart 2021 tot en met 8 april 2025 te Zoetermeer en elders in Nederland en België,

een ander, genaamd [slachtoffer] (werknaam [werknaam] ), zijnde zijn dochter,

met betrekking tot de periode van 27 maart 2021 tot en met 23 juni 2023

heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl zij de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt (sub 2) en

met betrekking tot de periode van 24 juni 2023 tot en met 8 april 2025 (telkens)

met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven en vervoerd met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en

met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (van seksuele aard) (sub 4), en (telkens)

met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen dan wel bewogen om hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde (sub 9), en

heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling (sub 3), en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 6),

immers heeft hij verdachte,

met betrekking tot de periode van 27 maart 2021 tot en met 23 juni 2023

- die [slachtoffer] pornofilms gestuurd en daarbij de opmerking gemaakt dat dit een belangrijke les is en

- die [slachtoffer] in een bericht gezegd dat zij seksklanten kan overnemen en

- die [slachtoffer] gevraagd hem te berichten wat de moeder van die [slachtoffer] met een seksklant heeft gedaan en

met betrekking tot de periode van 24 juni 2023 tot en met 8 april 2025

- van die [slachtoffer] foto’s gemaakt ten behoeve van de seksadvertentie en

- die [slachtoffer] begeleid/vervoerd bij/naar seksafspraken binnen Nederland en naar België en

- die [slachtoffer] instructies gegeven met betrekking tot de door die [slachtoffer] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en betaalde webcamseks en

- die [slachtoffer] gefilmd ten behoeve van betaalde webcamseks en

- met die [slachtoffer] seksuele handelingen verricht en die [slachtoffer] met voorwerpen en lichaamsdelen gepenetreerd ten behoeve van betaalde webcamseks en

- die [slachtoffer] op boze en/of dwingende wijze heeft aangespoord om meer geld te verdienen en meer klanten te bedienen en

- het geld van die [slachtoffer] beheerd en

- misbruik gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en van de omstandigheid dat [slachtoffer] weinig contacten buiten het gezin had en misbruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie en door continu in de nabijheid van die [slachtoffer] te zijn;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 24 juni 2023 tot en met 30 juni 2024 te Zoetermeer meermalen telkens door een feitelijkheid [slachtoffer] , zijnde zijn dochter, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (meermalen)

- de vagina van die [slachtoffer] gepenetreerd met een dildo en/of vingers en/of zijn penis en

- de mond van die [slachtoffer] gepenetreerd met een dildo en/of zijn penis

en bestaande die feitelijkheid hierin dat

- verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en daarbij gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie en

- door continu in de nabijheid van die [slachtoffer] te zijn

en hij in de periode van 1 juli 2024 tot 8 april 2025 in Nederland,

met een persoon, te weten [slachtoffer] , zijnde zijn dochter,

seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het penetreren van de vagina van die [slachtoffer] zijn penis en

- het penetreren van de mond van die [slachtoffer] met zijn penis,

terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, te weten doordat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en daarbij gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie en door continu in de nabijheid van die [slachtoffer] te zijn;

3.

hij in de periode van 2 juni 2020 tot en met 8 april 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland,

(in de periode van 2 juni 2020 tot en met 30 juni 2024)

afbeeldingen en een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen – te weten

- afbeeldingen en een video (foto [bestandsnaam 1] en foto [bestandsnaam 2] en foto [bestandsnaam 3] en foto [bestandsnaam 4] en een video [bestandsnaam 5] ) in bezit heeft gehad en vervaardigd, terwijl op die afbeeldingen een seksuele gedraging te zien is, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2005, was betrokken, waarbij die [slachtoffer] geheel of gedeeltelijk naakt is en nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel en/of de borsten en/of billen van die [slachtoffer] in beeld gebracht worden waarbij de afbeeldingen aldus telkens een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling,

en

(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 april 2025)

een of meer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] was betrokken of schijnbaar was betrokken, in bezit heeft gehad, te weten

-een mobiele telefoon (merk Samsung S21) bevattende afbeeldingen en een video ((foto [bestandsnaam 1] en foto [bestandsnaam 2] en foto [bestandsnaam 3] en foto [bestandsnaam 4] en een video [bestandsnaam 5] ) waarop te zien is dat [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2005, geheel of gedeeltelijk naakt is en nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel en/of de borsten en/of billen van die [slachtoffer] in beeld zijn gebracht;

6, tweede cumulatief/alternatief

hij in de periode van 27 maart 2021 tot en met 31 maart 2021 te Zoetermeer afbeeldingen, te weten pornofilms en/of pornografische foto’s, bevattende afbeeldingen waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft vertoond aan [slachtoffer] , zijnde een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan zestien jaar, door die [slachtoffer] (links naar) die pornofilms en pornografische foto’s te sturen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en verkrachting ten aanzien van zijn dochter [slachtoffer] . Verder heeft de verdachte kinderpornografische afbeeldingen en video’s van haar gemaakt en stuurde hij al vanaf haar puberleeftijd pornografische afbeeldingen en video’s aan haar. Hiermee heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van zijn dochter, in plaats van haar, zoals een goed ouder betaamt, daadwerkelijke bescherming en geborgenheid te bieden.

Mensenhandel is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting. De lichamelijke en geestelijke integriteit van mensen wordt ondergeschikt gemaakt aan het geldelijk gewin. Zo ook in deze zaak. Hij heeft haar niet zelden in bijzonder grove bewoordingen aan het werk gezet en aan het werk gehouden. De verdachte heeft zich bij de uitbuiting laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin en heeft daarbij geen rekening gehouden met de belangen en het welzijn van zijn dochter.

Daarnaast heeft de verdachte prioriteit gegeven aan de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, waarbij hij voorbij is gegaan aan de kwetsbaarheid en de afhankelijke positie van zijn dochter.

Bij dat alles steekt zijn verklaring ter zitting dat hij voor zijn dochter een ander pad voor ogen had en haar een carrière bij de Koninklijke Marechaussee had gegund schril af. Het onderstreept dat hij geen enkel inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen. Dat kan dan ook niet als strafmatigend meewegen.

Alhoewel [slachtoffer] uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat zij zich geen slachtoffer voelt van haar vader, sluit de rechtbank geenszins uit dat zij op langere termijn psychisch nadelige gevolgen zal ondervinden van de handelswijze van haar vader, bijvoorbeeld bij intimiteit, relaties en seksualiteit. Dat voornamelijk door zijn toedoen in zijn gezin een sfeer is ontstaan waarin ongepaste seksueel getinte opmerkingen als ‘zijn humor’ werden gezien, waarin alle negatieve aspecten, ook zijn boosheid, werden vergoelijkt is en waarin het sekswerk van [slachtoffer] verworden lijkt tot de belangrijkste inkomstenbron – getuige de moeite die door [slachtoffer] , moeder en broer tijdens zijn voorlopige hechtenis werd gedaan om in verdachtes plaats [slachtoffer] bij haar werk te begeleiden – is niet alleen zeer kwalijk, maar ook zorgelijk voor de toekomst.

Bij dit alles is verdachte eraan voorbijgegaan dat zijn dochter haar beslissingen niet in alle noodzakelijke vrijheid kon nemen; de wilsuitingen van zijn dochter moeten als onvrije wilsuitingen moeten worden beschouwd, waarvan haar eigen vader misbruik heeft gemaakt.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 oktober 2025.

Persoon van de verdachte

De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich bewust is van zijn handelen, maar dat hij dit zelf niet ziet als strafbaar. De verdachte heeft daarover uitvoerig en consistent ter terechtzitting verklaard. De verdachte heeft niet meegewerkt aan persoonsonderzoeken. Hierdoor heeft de rechtbank geen objectieve aanknopingspunten om te kunnen beoordelen of het handelen van de verdachte deels voortkomt uit een stoornis of dat hij niet heeft kunnen overzien wat de mogelijke consequenties voor hem zijn geweest. Dat is dan ook geen grond voor strafmatiging.

Strafmodaliteit

Gelet op de duur, de frequentie en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, als ook gelet op het taakstrafverbod, kan voor dit soort feiten niet worden volstaan met een andere straf dan oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De op te leggen straf

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Voorlopige hechtenis

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de voorlopige hechtenis behalve dat het gerechtvaardigd was dat de voorlopige hechtenis van de verdachte werd geschorst.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart heden onder meer mensenhandel en verkrachting bewezen. De ernstige bezwaren voor die feiten – waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld – zijn daardoor per definitie aanwezig zijn. Verder zijn ook de gronden voor de voorlopige hechtenis nog aanwezig. In aanmerking genomen dat verdachte niet inziet dat zijn handelswijze strafbaar is en [slachtoffer] en hij op hetzelfde woonadres verblijven, moet er gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en waardoor de veiligheid of de gezondheid van personen in gevaar kan worden gebracht.

De rechtbank dient voorts een (actuele) afweging te maken van de persoonlijke belangen van verdachte enerzijds, waaronder zorg voor zijn ouders en het in vrijheid afwachten van een eventueel hoger beroep, en het belang dat gediend wordt door zijn vrijheidsbeneming anderzijds. Sinds de afweging die het gerechtshof maakte is in het bijzonder dit veroordelend vonnis een gewijzigde omstandigheid.

Naar het oordeel van de rechtbank weegt het strafvorderlijke belang zwaarder dan de persoonlijke belangen van verdachte. De rechtbank heft de schorsing van de voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang op.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 3 tot en met 7 genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer, de voorwerpen onder 2 en 9 genoemd verbeurd worden verklaard en het voorwerp onder 8 wordt teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen aangaande enige beslagbeslissing.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank beslist conform hetgeen gevorderd is door de officier van justitie.

Ten aanzien van de voorwerpen die worden onttrokken aan het verkeer overweegt de rechtbank dat er op enigerlei wijze (kinder)pornografisch materiaal op is aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke bestanden in strijd met de wet en met het algemeen belang.

Ten aanzien van de verbeurdverklaringen overweegt de rechtbank dat dit voorwerpen betreffen waarmee een deel van de strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank heeft bij de maatregel verbeurdverklaren rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de teruggave van het onder 8 genoemde voorwerp dat het belang van strafvordering zich niet langer verzet tegen teruggave van dat voorwerp aan de verdachte.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 240a (oud) 240b (oud), 242, 243, 248d (oud), 252 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 4, 5 en 6, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 6, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.8 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mensenhandel

ten aanzien van feit 2

ten aanzien van de periode van 24 juni 2023 tot en met 30 juni 2024:

verkrachting, meermalen gepleegd;

en

ten aanzien van de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 april 2025

opzetverkrachting;

ten aanzien van feit 3:

ten aanzien van de periode van 2 juni 2020 tot en met 30 juni 2024

afbeeldingen of een gegevensdrager bevattende afbeeldingen/video van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd;

en

ten aanzien van de periode van 1 juli 2024 tot en met 8 april 2025

visuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbare seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 6:

afbeeldingen, bevattende afbeeldingen waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken, aanbieden en/of vertonen aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar.

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaar en zes (6) maanden;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

voorlopige hechtenis

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis per heden;

de inbeslaggenomen goederen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst (zie bijlage III) onder 1, 3 tot en met 7 genoemde voorwerpen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst (zie bijlage III) onder 2 en 9 genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst (zie bijlage III) onder 8 genoemd voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H.M. Smelt, voorzitter,

mr. R.G. de Lange-Tegelaar, rechter,

mr. M.S. Verboom, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Loohuis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.H.M. Smelt
  • mr. R.G. de Lange-Tegelaar
  • mr. M.S. Verboom

Griffier

  • mr. R. Loohuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?