RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. D. Gürses),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: M. Berkelmans).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15442
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor gezinshereniging met referent die in Nederland woont. Deze uitspraak gaat over de vraag of het toepassen van het middelenvereiste op referent evenredig is en of het afwijzen van de aanvraag in strijd is met het recht op gezinsleven. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag mocht afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiseres
Het middelenvereiste
Artikel 8 van het EVRM
6. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiseres heeft voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze
vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiseres daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
Het bestreden besluit
7. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat referent een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet en geen inspanningen heeft verricht om een baan te verkrijgen. Hiermee wordt niet voldaan aan het zogeheten middelenvereiste. Ook kan referent niet worden vrijgesteld van het middelenvereiste. Verder heeft eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en referent niet aannemelijk gemaakt. Het afwijzen van de aanvraag van eiseres is daarom volgens de minister niet in strijd met het recht op familie-en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
8. Eiseres voert aan dat de minister het middelenvereiste niet aan referent mocht tegenwerpen gelet op zijn omstandigheden. Dit is namelijk in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de gezinsherenigingsrichtlijn. Referent is afkomstig uit Syrië en heeft in 2021 een asielvergunning – en de vluchtelingenstatus – gekregen in Nederland. Hij is al lang in Nederland en voorziet in zijn eigen inkomen. Verder heeft hij zich zoveel mogelijk ingespannen om aan het middelenvereiste te voldoen. Ook heeft eiseres op de zitting naar voren gebracht dat referent kwetsbaar is vanwege zijn psychische problemen. Verder voert eiseres aan dat de minister tot een andere uitkomst van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM had moeten komen. Er zijn voldoende stukken ter onderbouwing van het huwelijk tussen eiseres en referent overgelegd. Daarnaast had de minister rekening moeten houden met de gevolgen als eiseres niet wordt toegestaan haar gezinsleven met referent in Nederland uit te oefenen. Er geldt namelijk een objectieve belemmering ten aanzien van Syrië. De minister heeft volgens eiseres dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in haar nadeel uitvalt.
9. De rechtbank stelt voorop dat het tussen partijen niet in geschil is dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Wel is in geschil of het in dit geval evenredig is om van referent te vragen daaraan te voldoen gelet op zijn individuele omstandigheden.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat het niet onevenredig is om van referent te vragen aan het middelenvereiste te voldoen. De rechtbank begrijpt dat het voor statushouders niet eenvoudig is om een baan te krijgen, maar niet is onderbouwd dat referent zich ook daadwerkelijk (volledig) heeft ingespannen om aan het middelenvereiste te voldoen. Dat referent lang in Nederland verblijft, in zijn eigen inkomen voorziet met een uitkering en de vluchtelingenstatus heeft, is bij een reguliere aanvraag voor gezinshereniging onvoldoende om van toepassing van het middelenvereiste af te zien. Dat referent psychisch kwetsbaar zou zijn heeft eiseres pas op de zitting naar voren gebracht zonder dit verder te onderbouwen. Daarom kan deze omstandigheid ook niet leiden tot het afzien van toepassing van het middelenvereiste. Van schending van het evenredigheidsbeginsel en/of de gezinsherenigingsrichtlijn is geen sprake.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat dit niet in strijd is met het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft kopieën overgelegd van de huwelijksakte en haar persoonlijke uittreksel. De originele documenten hiervan zijn door de minister opgevraagd, maar zijn door eiseres niet opgestuurd voor onderzoek en zijn dus niet op echtheid onderzocht. De familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent is daarmee niet aannemelijk gemaakt. Gelet op dit oordeel behoeven de beroepsgronden die zijn gericht tegen de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM geen bespreking meer.1
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4772, overweging 6.2.