RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Berkelmans).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15582
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Ceylan),
en
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en een verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetenen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiser
Oordeel van de rechtbank
Het inburgeringsvereiste
Hoorplicht
Het bestreden besluit
6. De minister heeft eisers aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning onbepaalde tijd afgewezen en heeft daarmee ook zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetenen afgewezen. Volgens de minister beschikt eiser niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan. Daarmee voldoet eiser niet aan het zogeheten middelenvereiste. Bovendien kan eiser niet van het middelenvereiste worden vrijgesteld, omdat hij niet valt onder een van de vrijstellingsgronden en niet gedurende een periode van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf heeft gehad. 1 Eiser heeft namelijk tussen 9 mei 2019 en 4 juli 2019 geen rechtmatig verblijf gehad in Nederland (ook wel een verblijfsgat genoemd). Verder heeft eiser geen inburgeringsdiploma op B1-niveau. Daarmee voldoet eiser volgens de minister niet aan het zogeheten inburgeringsvereiste. Omdat het bezwaar van eiser niet tot een andere uitkomst kon leiden heeft de minister eiser niet gehoord.
7. Eiser voert aan dat hij vrijgesteld had moeten worden van het middelenvereiste, omdat de minister het verblijfsgat ten onrechte aan hem tegenwerpt. De minister heeft namelijk niet aan eiser kenbaar gemaakt dat zijn reguliere vergunning voor bepaalde tijd ambtshalve is verlengd met 4 juli 2019 als ingangsdatum in plaats van 9 mei 2019. Ook heeft eiser op tijd een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verder voert eiser aan dat hij voldoet aan het inburgeringsvereiste, omdat hij een inburgeringsdiploma op A2-niveau heeft. Het is volgens eiser niet evenredig om van hem te verwachten dat hij de examenonderdelen ‘Kennis van de Nederlandse Maatschappij’ (KNM) en ‘Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt’ (ONA) nog moet behalen. Dit is in strijd met het doel en nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003, het arrest P. en S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof)2 en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Eiser verblijft al sinds 2008 rechtmatig in Nederland, hij spreekt de Nederlandse taal, heeft hier een gezin en is daarom hier geaard. Op de zitting heeft eiser verder verteld dat hij inmiddels een baan heeft en dat het inburgeringsdiploma dat hij heeft voldoende was toen zijn verblijfsvergunning voor het eerst aan hem werd verleend. Tot slot voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord tijdens de bezwaarprocedure.
8. De rechtbank stelt voorop dat niet ter discussie staat dat eiser niet voldoet aan het middelenvereiste. Op de zitting heeft de minister echter het besluit ingetrokken voor zover het erom gaat dat eiser een verblijfsgat heeft en daardoor niet voor een periode van tien aaneengesloten jaren rechtmatig heeft verbleven in Nederland. De rechtbank stelt daarmee vast dat de minister zich nu op het standpunt stelt dat eiser wordt uitgezonderd van het middelenvereiste, omdat hij gedurende een periode van tien aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Deze uitspraak beperkt zich daarom verder tot twee onderwerpen: (i) de tegenwerping van het inburgeringsvereiste; en (ii) de hoorplicht.
9. De rechtbank overweegt dat er een verschil is tussen de inburgerseis die geldt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en voor onbepaalde tijd. Voor een vergunning voor bepaalde tijd gelden de eisen zoals bedoeld in artikelen 3.71a en 3.98a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Voor een verblijfvergunning voor onbepaalde tijd gelden daarentegen de eisen zoals bedoeld in artikel 3.96a van het Vb. Eiser heeft een
aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en dus gelden voor hem de inburgeringseisen die volgen uit artikel 3.96a van het Vb.
10. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de inburgeringseisen die gelden voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Wel in geschil is of het stellen van deze zwaardere eisen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, het arrest
P. en S. van het Hof en Richtlijn 2003/109/EG.
11. De rechtbank is van oordeel dat het stellen van zwaardere inburgeringseisen aan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in algemene zin niet in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Evenmin wordt daardoor het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG ontnomen of de doelen daarvan in gevaar gebracht. Het doel van de richtlijn is namelijk het bevorderen van de integratie van derdelanders die duurzaam in een lidstaat zijn gevestigd. Het stellen van inburgeringseisen is daarmee niet zonder meer in strijd. De rechtbank verwijst verder naar punt 47 tot en met 50 van het arrest P. en S. van het Hof. Anders dan eiser stelt, volgt uit dit arrest dus ook niet dat de inburgeringseisen niet mogen worden gesteld, althans te ver strekken.
12. Verder is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval niet onevenredig is om te vereisen dat eiser de examenonderdelen KNM en ONA behaalt om te voldoen aan de inburgeringseis. De rechtbank begrijpt dat eiser al lange tijd in Nederland verblijft en zijn leven hier heeft opgebouwd. De rechtbank begrijpt ook dat het behalen van deze examenonderdelen voor eiser mogelijk minder toegevoegde waarde heeft gelet op zijn omstandigheden. Dit maakt het stellen van deze eisen echter nog niet onevenredig. Het inburgeringsvereiste wordt juist gesteld, omdat het van belang wordt geacht dat personen met een verblijfsvergunning voldoende geïntegreerd zijn in de lidstaat. Dat klemt temeer omdat het hier om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gaat. Daar staat tegenover dat de nadelige gevolgen van het moeten volgen van deze examenonderdelen niet zo groot zijn. Eiser moet weliswaar tijd hieraan besteden en de kosten daarvan betalen, maar dat weegt niet op tegen het hierboven geschetste doel van het inburgeringsvereiste. Verder is de rechtbank niet gebleken van andere omstandigheden waardoor het voor eiser onevenredig bezwarend is om de examenonderdelen te behalen om te voldoen aan de inburgeringseis voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
13. De rechtbank is het wel met eiser eens dat de minister hem had moeten horen tijdens de bezwaarprocedure. Als uitgangspunt geldt dat de minister een bezwaarmaker in de gelegenheid stelt om zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting.3 De minister heeft eiser niet gehoord, omdat hij zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat dit niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Eiser heeft in bezwaar echter documenten overgelegd waaronder een inburgeringsdiploma en documenten over zijn verblijfsstatus. Deze documenten hadden tijdens een hoorzitting besproken kunnen worden. Bovendien was het tijdens de hoorzitting mogelijk geweest om uitleg te geven over het inburgeringsvereiste, wat er nog precies van eiser werd verwacht wat betreft inburgeringsdiploma’s en wat daarvoor de reden is. Zeker nu in het primaire besluit staat dat eiser eerder zou zijn vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, terwijl in het bestreden besluit staat dat hij weliswaar is ingeburgerd maar nu andere eisen gelden (zonder die nader uit te leggen). Pas in het verweerschrift in beroep staat voor het eerst uitgelegd waarom het
inburgeringsdiploma van eiser niet voldoende is en dat hij de examenonderdelen KNM en ONA moet halen. Tenslotte heeft eiser beroep moeten instellen tegen het bestreden besluit om duidelijkheid te krijgen over het verblijfsgat. Ook dit is iets dat tijdens een hoorzitting had kunnen worden opgehelderd. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond, omdat eiser in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure. Om die reden vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser zijn standpunt kunnen vertellen en daarom voegt een nieuwe hoorzitting bij de minister niets toe. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de minister de aanvraag wel mocht afwijzen vanwege het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste. Eiser krijgt dus geen reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of een verblijfsvergunning voor EU-langdurig ingezetenen.
15. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Artikel 21, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 Arrest van het Hof van 4 juni 2015 (P. en S.) (ECLI:EU:C:2015:369).
3 Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en Werkinstructie 2022/20 Horen en mandatering bezwaar.
22 januari 2026