RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2962
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
(gemachtigde: mr. B.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening. Deze staat geregistreerd onder NL26.2963 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser heeft vooraf laten weten dat hij en eiser niet ter zitting zullen verschijnen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Overwegingen
3. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat uit Eurodac volgt dat eiser sinds 26 november 2015 internationale bescherming geniet in Frankrijk. Eiser geeft geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan aanleiding bestaat om aan te nemen dat de registratie in Eurodac onjuist is. Hierdoor wordt geconcludeerd dat eiser in Frankrijk internationale bescherming geniet. De asielaanvraag van eiser is daarom niet-ontvankelijk.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt er vanuit gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag naleven. Het is volgens de minister aan eiser om aannemelijk te maken dat de lidstaat deze verplichtingen in zijn geval niet nakomt.
Heeft eiser procesbelang?
4. De gemachtigde van eiser heeft op de ochtend van de zitting een bericht in het dossier geplaatst waarin hij aangeeft dat eiser niet meer op de COa-lijst staat en een voor hem onbekende verblijfplaats heeft. Ook heeft gemachtigde eiser niet meer kunnen bereiken. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft.
De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit kan worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Omdat in dit geval slechts voor eisers gemachtigde onduidelijk is waar eiser verblijft en er geen aanknopingspunten zijn dat de minister (ook) niet van eisers verblijfplaats op de hoogte is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er moet immers vanuit worden gegaan dat eiser nog in contact staat met de autoriteiten, temeer daar op zitting door de gemachtigde van de minister is bevestigd dat er een actueel adres van eiser bekend is. Eiser heeft daarom nog procesbelang.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat de minister met betrekking tot statushouders en ten aanzien van Frankrijk, ten onrechte blijft uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is na de Franse asielvergunning te hebben gekregen uit de opvang gezet, heeft jarenlang op straat geleefd en had, bij gebrek aan een adres, aldaar geen toegang tot sociale voorzieningen. Eiser was tegen zijn zin in zwervende, dakloos en werkloos. Het asielrelaas van eiser onderbouwt dat Franse statushouders structureel voor langere periodes het reële risico lopen dat zij geen toegang hebben tot fundamentele eerste levensbehoeften zoals huisvesting, sociale zekerheid en werkgelegenheid. Al met al is de kans dat Franse statushouders te maken krijgen met discriminatie en in een situatie van materiële deprivatie terechtkomen, reëel. Ook hebben de Franse autoriteiten kennelijk geen proactieve houding om dat op te lossen. Eiser heeft ook geen effectieve hulp gehad om voornoemde problemen op te lossen. Eiser verwacht daarom van de minister dat hij vraagt om individuele garanties bij de Franse autoriteiten om elk reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten.
Eiser stelt verder dat de minister er ten onrechte vanuit gaat dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn rechten in Frankrijk te effectueren. Ondanks pogingen daartoe, heeft eiser geen (vast) werk of structurele huisvesting kunnen verkrijgen en daar ook geen enkele effectieve hulp bij gekregen. Bovendien verhinderen de taalbarrière en het gebrek aan een sociale kring dat betrokkene enige rechten zou kunnen effecturen.
Tot slot stelt eiser dat de minister ten onrechte overweegt dat eiser kan klagen bij de hogere Franse autoriteiten. Het is in theorie wellicht mogelijk om te klagen bij de Franse autoriteiten, maar praktisch gezien bestaat deze mogelijkheid niet o.a. door de taalbarrière en/of het gebrek aan sociale kring of ander hulp. Ook kan eiser zich geen advocaat veroorloven, daar hij ook niet de middelen heeft om een advocaat te betalen. Bovendien leidt beklag naar verwachting niet tot een passende oplossing waardoor het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos lijkt. De minister heeft niet gemotiveerd hoe eiser met succes zijn beklag kan doen en mocht er daarom niet zondermeer vanuit gaan dat dit mogelijk is.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de minister er in het algemeen van uit mag gaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU-Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om zodanige tekortkomingen aannemelijk te maken. De Franse autoriteiten hebben eiser een vluchtelingenstatus toegekend en daaruit blijkt de intentie om eiser te beschermen. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de moeilijke situatie van eiser in het kader van huisvesting, sociale zekerheid, werk en discriminatie, is hiermee - en bij gebrek aan onderbouwing van de kant van eiser - niet komen vast te staan dat sprake is van een structureel systeemfalen in Frankrijk voor statushouders. De minister heeft daarom ten aanzien van Frankrijk mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat brengt ook mee dat de minister in beginsel mag aannemen dat de Franse autoriteiten de zorgplicht voor statushouders naar behoren invullen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich met bovengenoemde problemen tot de autoriteiten in Frankrijk kan wenden en dat bovendien niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om zijn rechten in Frankrijk te effectueren. Dat eerdere pogingen hiertoe ineffectief zijn geweest is niet onderbouwd. Omdat niet is gebleken van enige inspanning van de kant van eiser, is ook niet gebleken van onverschilligheid van de kant van de Franse autoriteiten en wordt de drempel van het arrest Ibrahim van het Hof niet gehaald.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.