RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25559
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat zijn oom per ongeluk een meisje heeft doodgeschoten. Hierop wilde de stam waartoe het meisje toebehoorde, Habagidir Cayr, wraak nemen. Eerst is zijn oom vermoord, daarna wilden ze wraak op de kinderen van dezelfde stamlijn. Eiser is hierdoor naar Mogadishu gevlucht. In juni 2022 heeft hij per ongeluk zijn naam genoemd. De dag daarop is hij door vier mensen met een mes aangevallen. Bij terugkeer vreest hij voor eerwraak vanuit de Habagidir Cayr-stam.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eiser wordt gezocht in verband met bloedwraak.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Dat eiser wordt gezocht in verband met bloedwraak acht de minister echter niet geloofwaardig. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eiser zijn asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel, waardoor hij niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade. De minister heeft eisers asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt hij om wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder voert eiser aan dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister verricht op basis van Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht. In dit verband wijst eiser op een notitie van het Landelijk Bureau van VVN en het artikel ‘Analyse van de nieuwe werkinstructie geloofwaardigheidsbeoordeling’ van [persoon A] en [persoon B] . Ook verwijst eiser naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2025. Eiser verzoekt de rechtbank de behandeling van zijn beroep aan te houden tot het Hof van Justitie de gestelde prejudiciële vragen over de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling heeft beantwoord.
Voor zover eiser aanvoert dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in strijd is met het Unierecht omdat de voorwaarden in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 als cumulatieve checklist behandeld worden, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de zaak aan te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser wordt gezocht in verband met bloedwraak?
6. Eiser voert aan dat de minister de verklaringen over de problemen die eiser heeft ondervonden, omdat hij wordt gezocht vanwege bloedwraak, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser merkt in zijn beroepsgronden op dat de stellingen van de minister in het bestreden besluit op pagina 6 tot en met 8, gelijkluidend zijn aan de stellingen in het voornemen. Eiser verwijst voor wat dat betreft daarom naar zijn zienswijze.
In zijn aanvullende gronden heeft eiser aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit paragraaf 5.1 van het European Asylum Support Office, Country of Origin Information Report (EASO-rapport) – Somalia Targeted profiles van september 2021 volgt welke personen slachtoffer kunnen worden van bloedwraak. Volgens eiser ziet die passage namelijk niet op bloedwraak, maar op conflicten tussen clans onderling. Daar komt bij dat de minister die passage niet juist en niet in zijn geheel heeft geciteerd. Verder heeft de minister eisers vrees voor bloedwraak ten onrechte niet bezien in het licht van de wraakcultuur in Somalië. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2024. Daarmee heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eisers verklaringen over bloedwraak ongeloofwaardig zijn.
De rechtbank overweegt allereerst dat door het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te gegeven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. Het enkel verwijzen naar argumenten in de zienswijze kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich daarom beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser wordt gezocht in verband met bloedwraak. Daarbij heeft de minister kunnen verwijzen naar paragraaf 5.1 van het EASO-rapport. In die passage staat dat, ondanks het geweld bij stamconflicten, vrouwen, kinderen en ouderen zelden het directe doelwit zijn van dat geweld. Zij kunnen echter wel, by chance, dus per ongeluk, worden getroffen doorzwervende kogels. Daarnaast wordt vermeld dat jonge militiesoldaten vaak de traditionele regels van conflicten niet respecteren en zich ook richten op vrouwen, kinderen en ouderen of geweld gebruiken op een willekeurige manier. Verder overweegt de rechtbank dat de inleiding van paragraaf 5 aangeeft dat traditioneel twee soorten conflicten dominant zijn in de Somalische samenleving, namelijk: gewelddadige zelfhulp en bloedwraak, die vaak escaleren in langdurige vetes en discussies, onderhandelingen en betaling van compensatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op de zitting niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bloedwraak onderdeel is van stamconflicten.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaring, inhoudende dat het gebruikelijk is om wraak te nemen op kinderen, geen steun vindt in het EASO-rapport. Dat het niet gebruikelijk is om wraak te nemen op kinderen blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het EASO-rapport. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat jonge militiesoldaten in zijn geval de traditionele regels van conflicten niet respecteren. De enkele stelling dat deze militieleden de traditionele regels negeren, is niet voldoende om te kunnen aannemen dat zij eiser al als kind tot doelwit van bloedwraak zouden hebben gemaakt. De minister heeft daarom op de zitting zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser die informatie uit het EASO-rapport niet heeft geïndividualiseerd. Daar komt bij dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser tijdens het gehoor in de gelegenheid is gesteld om zijn verklaringen over het voorgaande toe te lichten en aannemelijk te maken waarom in zijn geval wel sprake is van bloedwraak op kinderen. Eiser heeft hier geen helder antwoord op kunnen geven. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat de Habagidir Cayr-stam pas na zeven of acht jaar er achter zijn gekomen dat eisers vader kinderen heeft, met name ook omdat eiser al die tijd in dezelfde plaats gewoond heeft. Eiser heeft daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van bloedwraak in die jaren als kind. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser voert aan dat de minister niet deugdelijk gemotiveerd heeft waarom de informatie uit het algemeen ambtsbericht van maart 2025 (ambtsbericht) en het EUAA-rapport van mei 2025 niet relevant zou zijn voor de algemene situatie in Somalië en zijn persoonlijke situatie. Volgens eiser ondersteunen deze zijn vrees voor risico op ernstige schade. In zijn aanvullende gronden heeft eiser verder betwist dat in Somalië sprake zou zijn van een relatief laag geweldsniveau. Hij wijst daarbij op het EUAA-rapport van oktober 2025, waarin staat dat betrokkenheid bij stamconflicten volgens de EUAA een belangrijke risicobeïnvloedende omstandigheid is voor het verkrijgen van vluchtelingenstatus.
De rechtbank stelt vast dat eiser voor zijn vertrek in de wijk [naam wijk] in Mogadishu heeft gewoond.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In wat eiser naar voren heeft gebracht, namelijk het EUAA-rapport van oktober 2025, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de minister in zijn landgebonden beleid een hogere gradatie van het willekeurig geweld had moeten aannemen.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het EUAA-rapport geen verslechtering blijkt in de algemene veiligheidssituatie in Somalië. Het EUAA-rapport beschrijft een hoger aantal slachtoffers, omdat dat rapport alle slachtoffers, inclusief strijders van (clan) geweld betrekt, terwijl de minister zich richt op het aantal burgerslachtoffers ten gevolge van willekeurig geweld. Daar komt bij dat de EUAA alle geweldsincidenten betrekt. Naar het oordeel van de rechtbank had het EUAA-rapport dan ook geen aanleiding hoeven geven om te concluderen dat in Mogadishu geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren. Eiser moet met zijn eigen, individuele omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu. Daar komt bij dat, zoals hiervoor overwogen, niet geloofwaardig is bevonden dat eiser wordt gezocht in verband met bloedwraak. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding de minister niet te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.