RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58907
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de discriminatie die eiser stelt te ervaren vanwege zijn Igbo-afkomst ongeloofwaardig is. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk is en heeft hij geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser hoeven verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep van zijn gestelde verloofde (NL25.58909) en de voorlopige voorzieningen (NL25.58908 en NL25.58910). Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2001. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is op jonge leeftijd zijn vader verloren en is toen bij zijn oom gaan wonen. Kort daarna is zijn oom getrouwd. De vrouw met wie zijn oom trouwde behandelde eiser erg slecht. Daarnaast verklaart eiser te zijn vertrokken vanwege de genocide, discriminatie en massamoord door de Nigeriaanse regering tussen 1967 en 1970 van mensen van de Igbo-stam, waar eiser toe behoort. Eiser heeft in 2020 in zijn dorp meegedaan aan het Endsars-protest – een protest tegen het vermoorden van Igbo-mensen. Naar aanleiding van dit protest werden er veel mensen vermoord door de Nigeriaanse overheid. Er werden in eisers omgeving zoveel mensen vermoord, dat het eiser te veel werd. Daarom is hij uit Nigeria vertrokken, samen met zijn verloofde.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met zijn oom en diens vrouw;
- discriminatie door zijn Igbo-afkomst;
- problemen door de algemene situatie in Nigeria.
De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De andere drie asielmotieven acht de minister allen ongeloofwaardig. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst bieden geen aanleiding voor de conclusie dat eiser heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Omdat eiser bovendien kennelijk inconsequente verklaringen heeft afgelegd, concludeert de minister dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Daarnaast krijgt eiser geen uitstel van vertrek om medische redenen.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers problemen met zijn oom en diens vrouw en zijn problemen door de algemene situatie in Nigeria ongeloofwaardig zijn.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de discriminatie jegens eiser vanwege zijn Igbo-afkomst ongeloofwaardig is?
5. Eiser heeft niet betwist dat hij de discriminatie vanwege zijn Igbo-afkomst niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo blijkt volgens de minister uit eisers verklaringen niet dat hij is gediscrimineerd vanwege zijn Igbo-afkomst en is zijn deelname aan het Endsars-protest niet geloofwaardig.
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn deelname aan het Endsars-protest in 2020 niet geloofwaardig is. Toen eiser meedeed aan dat protest, schreeuwde hij leuzen en zag hij bloedbaden. Dat hij niet meer precies voor de geest kan halen om welke leuzen het ging en wanneer het protest precies plaatsvond, kan hem niet worden aangerekend. Eiser heeft namelijk veel narigheid meegemaakt en zijn geheugen laat hem dikwijls in de steek.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers deelname aan het Endsars-protest in 2020 ongeloofwaardig is. De minister heeft namelijk mogen vinden dat eiser hier oppervlakkig en ongedetailleerd over heeft verklaard. Zo heeft hij verklaard dat hij tijdens het protest leuzen riep, maar weet hij desgevraagd niet meer welke leuzen dat waren. Ook weet hij niet in welke maand van 2020 het protest plaatsvond. Eisers betoog dat dit hem niet kan worden aangerekend, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Dat eiser veel narigheid heeft meegemaakt en zijn geheugen hem in de steek laat, kan – zonder enige toelichting – immers niet tot de conclusie leiden dat de minister minder van eisers verklaringen zou mogen verwachten.
Verder wordt opgemerkt dat eiser niet heeft betwist dat niet uit zijn verklaringen blijkt dat hij is gediscrimineerd vanwege zijn Igbo-afkomst. De minister heeft de discriminatie jegens eiser ook om die reden ongeloofwaardig mogen vinden.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt?
7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Er vindt in Nigeria namelijk een genocide op christenen plaats. Nigeria geldt al jaren als een van de gevaarlijkste landen ter wereld voor christenen. Sinds januari 2025 zijn er in Nigeria meer dan 7.000 christenen vermoord door jihadistische milities, en zijn bijna 8.000 mensen ontvoerd omdat ze in hun geloof bleven volharden. Naast moorden worden slachtoffers geconfronteerd met martelingen, gedwongen bekeringen, seksueel geweld en gedwongen huwelijken. Vooral jihadisten zijn de daders, maar ook het Nigeriaanse leger pleegt zulke daden.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft namelijk enkel verklaard over de algemene situatie in Nigeria, maar niet over persoonlijke problemen die hij zou hebben ondervonden vanwege zijn christelijke geloof. In beroep heeft eiser dit niet bestreden of alsnog naar voren gebracht waarom hij persoonlijk voor zulke problemen heeft te vrezen. Eiser heeft enkel algemene informatie over een genocide op christenen in Nigeria nogmaals naar voren gebracht. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting, onder verwijzing naar het ambtsbericht, toegelicht dat christenen weliswaar vaak slachtoffer zijn van geweld, maar dat dit moet worden beschouwd tegen de achtergrond van een toename van geweld tegen alle burgers, waarbij moslims en christenen zowel dader als slachtoffer van het geweld zijn. Met de landeninformatie die eiser heeft aangehaald heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat deze informatie uit het ambtsbericht niet zou kloppen. Bovendien heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser afkomstig is uit Igbo-land in het zuidoosten van Nigeria, terwijl aanvallen op kerken en christelijke dorpen met name in de twaalf noordelijke staten plaatsvinden.
Heeft de minister terecht geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser verleend?
8. Eiser betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat de minister hem ten onrechte geen uitstel van vertrek om medische redenen heeft verleend. Eiser voert aan dat zijn klachten op de aanwezigheid van posttraumatische stressstoornis (PTSS) wijzen en dat hij door overmacht geen documenten van een mogelijke PTSS kan overleggen. Toen eiser tijdens het nader gehoor antwoordde dat hij geen gezondheidsklachten had, doelde hij alleen op fysieke problemen. Zijn problemen zijn echter van geestelijke aard. Eiser en zijn verloofde hebben zich inmiddels aangemeld voor psychiatrische behandeling. Het feit dat er hiervoor wachtlijsten zijn die de aanvang van een behandeling vertragen, kan hen niet worden aangerekend.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft geen uitstel van vertrek om medische redenen aan eiser hoeven verlenen. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd die onderbouwen dat hij mogelijk lijdt aan PTSS. Eisers stelling dat hij deze niet kan overleggen wegens overmacht, is onvoldoende concreet en niet toegelicht. Er zijn bovendien geen aanknopingspunten in eisers dossier waaruit blijkt dat hij mogelijk leidt aan PTSS. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens het medisch advies van 4 juli 2025 heeft aangegeven geen lichamelijke, medische of overige klachten te ervaren die belemmerend zijn voor een nader gehoor of vragen om een aanpassing. Daarnaast is tijdens het nader gehoor aan eiser de vraag gesteld hoe het met zijn gezondheid in het algemeen is, waarop hij antwoordde dat hij geen gezondheidsklachten heeft. Eiser wordt er niet in gevolgd dat hij alleen zou hebben gedoeld op zijn fysieke gezondheid, aangezien uitdrukkelijk werd gevraagd naar eisers gezondheid in het algemeen. Dat hij en zijn verloofde zich inmiddels zouden hebben aangemeld voor een psychiatrische behandeling en op een wachtlijst staan, maakt het voorgaande niet anders, nu eiser ook hier geen stukken van heeft overgelegd.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.