RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50074
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft door niet te reageren eisers uitstelverzoek voor het indienen van een zienswijze niet dusdanig onzorgvuldig gehandeld dat het besluit daarom moet worden vernietigd. Ook heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft hij zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Ten slotte heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst niet hoeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Kameroense nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kwam rond zijn vijftiende erachter dat hij homoseksueel is. Later kreeg hij een relatie met iemand die hij kende via werk. Zijn vader betrapte hem toen hij belde met zijn partner. Daardoor verslechterde zijn relatie met zijn ouders, vooral met zijn vader. Eiser ging wel door met afspreken met zijn partner. Nadat hij zijn partner in het openbaar een kus gaf, werd hij geslagen door mensen uit zijn wijk. Daardoor werd openbaar dat hij homoseksueel is. De politie kwam langs bij zijn ouders om hem te arresteren, maar eiser was toen niet thuis. Zijn ouders meldden hem vervolgens dat hij hun huis moest verlaten. Bij terugkeer in Kameroen vreest eiser dat hij gearresteerd wordt door de politie of dat de gemeenschap hem geweld aan doet.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar zijn identiteit niet, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister ook niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De onderdelen van het eerste asielmotief die de minister geloofwaardig vindt, bieden geen aanleiding voor de conclusie dat eiser heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat eisers asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld?
5. Eiser betoogt dat de minister onzorgvuldig is geweest door niet tijdig te reageren op zijn uitstelverzoek voor het indienen van de zienswijze. Omdat de minister niet tijdig op het verzoek heeft gereageerd, heeft eiser geen zienswijze in kunnen dienen. Dat het uitstelverzoek ongegrond was, doet hier niet aan af. Als de minister tijdig, binnen de zienswijzetermijn, had gereageerd op zijn verzoek om uitstel, had eiser namelijk alsnog een zienswijze in kunnen dienen binnen de termijn. Daarnaast heeft de minister erkend dat deze handelswijze onzorgvuldig was, maar heeft hij ten onrechte het besluit niet ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarbij de zienswijze is betrokken.
De beroepsgrond slaagt niet. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als de minister tijdig had gereageerd op eisers verzoek om uitstel, is zijn handelswijze niet zo onzorgvuldig dat het besluit om die reden moet worden vernietigd. Eisers gemachtigde had namelijk kunnen weten dat zijn verzoek om uitstel niet zou worden toegewezen, nu de minister de gevallen waarin hij uitstel verleent limitatief heeft opgesomd in zijn beleid. De reden waar eisers gemachtigde zijn verzoek op baseerde – namelijk zijn werkvoorraad – wordt niet genoemd in die opsomming. Van eisers gemachtigde mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van dit beleid van de minister.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
6. Eiser betoogt dat de minister tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. De vragen die eiser zijn gesteld over verliefdheid en de acceptatie van zijn geaardheid waren vaag en niet ingekleed met concrete voorbeelden, waardoor eiser die niet heeft begrepen. De hoormedewerker heeft echter niet de moeite genomen om de vragen uit te leggen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader. Hij heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor is uitgelegd dat hij het moest aangeven als er vragen werden gesteld waar hij moeite mee had, waarop eiser antwoordde dat hij dit begreep. Eiser heeft ook meerdere keren tijdens het gehoor aangegeven dat hij een vraag niet begreep, waarop de hoormedewerker de betreffende vraag verduidelijkte of in andere bewoordingen stelde. De rechtbank ziet daarom niet in waarom eiser niet ook bij de vragen over verliefdheid en de acceptatie van zijn geaardheid om verduidelijking kon vragen als hij deze niet begreep. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister daarnaast toegelicht dat uit eisers medisch advies niet blijkt dat sprake is van een beperking die van invloed kan zijn geweest bij het horen. Bovendien is eiser gevraagd of er bijzonderheden zijn waar rekening mee moet worden gehouden tijdens het gehoor, waarop eiser antwoordde van niet. Ook is eiser bij afloop van het gehoor gevraagd of hij nog iets toe te voegen had en is hem gevraagd of hij op- of aanmerkingen had op de werkwijze van de hoormedewerker, waarbij hij is gewezen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Eiser heeft hierop geantwoord dat het gehoor goed verlopen was en dat hij niets meer toe te voegen had.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is?
7. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval voor zover het om zijn identiteit gaat, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van documenten. Uit het nader gehoor blijkt volgens eiser namelijk niet dat eiser een verwijt kan worden gemaakt van het kwijtraken van de documenten nadat hij een tas onbeheerd achterliet in een park in Tunesië. Uit het nader gehoor blijkt onvoldoende op welke wijze dit is gebeurd en of eiser onder de gegeven omstandigheden in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Dat eiser geen identificerende documenten heeft overgelegd omdat hij zijn tas onbeheerd heeft achtergelaten in een parkje in Tunesië en deze daarna is gestolen, heeft de minister geen verschoonbare reden mogen vinden. Bovendien heeft de minister mogen vinden dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij zijn identificerende documenten precies heeft verloren en dit in zijn nadeel mogen betrekken. Eiser heeft namelijk eerst verklaard dat hij zijn tas met documenten in Tunesië nog bij zich had, maar later dat hij deze in Tunesië is verloren. Verder heeft de minister ook in eisers nadeel mogen betrekken dat eiser heeft verklaard een geboorteakte in zijn bezit te hebben, maar dat hij deze vervolgens niet heeft overgelegd.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn?
8. Eiser heeft ook niet betwist dat hij zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Uit Werkinstructie 2019/17 volgt dat de minister in zaken als deze op zoek is naar een authentiek verhaal van de betrokken vreemdeling. Het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt daarom bij de antwoorden op vragen over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt temeer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti-zijn maatschappelijk onacceptabel of strafbaar is gesteld. In die situatie is het de vraag of en hoe de vreemdeling zich daaraan heeft aangepast en hoe hij dit heeft beleefd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe voor de verschillende onderdelen die de minister in het bestreden besluit onderscheidt en aan de hand van dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd.
Eiser verklaart vaag en summier over zijn vriend en het ontstaan van hun relatie
9. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is. De minister werpt tegen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de kennismaking met zijn partner is verlopen en deze vervolgens heeft geleid tot een liefdesrelatie, maar dat is onjuist. Eiser heeft concreet uitgelegd dat de kennismaking op een geleidelijke en natuurlijke manier is verlopen en uiteindelijk heeft geleid tot een relatie. Eiser heeft verklaard dat hij een goede relatie had met zijn partner en dat er sprake was van verliefdheid. De minister heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat eiser deze verliefdheid niet persoonlijk heeft gemaakt in het gehoor. Eiser heeft zijn relatie met zijn partner wel degelijk persoonlijk gemaakt en ingekleurd. Hij heeft namelijk verklaard dat hij trots was om bij zijn partner te zijn, dat zij van elkaar hielden en met elkaar afspraken.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn vriend en het ontstaan van hun relatie. Allereerst heeft de minister mogen vinden dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de kennismaking tussen hem en zijn partner heeft geleid tot zijn eerste liefdesrelatie. Ondanks dat de hoormedewerker eiser meerdere keren de kans heeft gegeven om hier inzicht in te geven, heeft eiser alleen verklaard dat hij goed met zijn partner kon praten en dat hij na verloop van tijd van hem hield. Daarnaast heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij en zijn partner invulling gaven aan hun relatie. Op vragen hierover heeft eiser namelijk alleen verklaard dat zij met elkaar wandelden of naar nachtclubs ging, terwijl eiser ook heeft verklaard dat hij en zijn partner elkaar drie keer per week zagen. De minister mocht ook daarom van eiser verwachten dat hij hier uitgebreider en gedetailleerder over zou kunnen verklaren. Verder heeft de minister eisers verklaringen over de persoonlijke eigenschappen van zijn partner algemeen mogen vinden. De minister heeft ook niet ten onrechte overwogen dat de door eiser beschreven kenmerken van zijn partner over een ieder zouden kunnen gaan. Op vragen hierover heeft eiser namelijk alleen verklaard dat hij zijn partners manier van praten leuk vond, en zijn gedrag. Toen eiser gevraagd is om het karakter van zijn partner te beschrijven, verklaarde hij enkel dat zijn partner een goed gedrag had en dat hij aardig was. Nu deze relatie eisers enige relatie in Kameroen is geweest, die relatie vier jaar heeft geduurd en eiser op de hoogte is van de gevaren van een homoseksuele relatie in zijn land, mocht de minister van eiser verwachten dat hij met meer diepgang over deze onderwerpen zou kunnen verklaren.
Eiser heeft summier verklaard over zijn gevoel met betrekking tot zijn geaardheid.
10. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij summier zou hebben verklaard over zijn gevoelens over zijn geaardheid. In het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij zich hierover gegeneerd voelde. Daarmee heeft eiser treffend de problematiek beschreven als homoseksueel in Kameroen, waar een groot taboe rust op het hebben van homoseksuele relaties. Verder heeft eiser, in tegenstelling tot wat de minister stelt, wel degelijk zijn eigen gedachtegang beschreven over zijn moeders uitlating dat “hij wel gaat veranderen”. Eiser geeft juist aan dat de manier waarop zijn ouders aankeken tegen zijn homoseksualiteit mijlenver verwijderd lag van de wijze waarop hij zijn seksualiteit zelf ervoer. Uit zijn verklaring blijkt dat hij verder geen energie wilde steken in het overtuigen van zijn ouders. De minister heeft dit onvoldoende opgepakt in het gehoor en de interpretatie van de antwoorden van eiser is onjuist.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en summier heeft verklaard over zijn gevoelens over zijn geaardheid. Toen eiser is gevraagd wat het met hem deed dat hij met niemand over zijn gevoelens over zijn geaardheid kon praten, verklaarde eiser dat hij bang was om daarover te praten met anderen, omdat hij bang was dat hij zou worden meegenomen naar de politie. Op nadere vragen hierover herhaalde eiser dit, waarbij hij toevoegde dat hij zich gegeneerd voelde. Juist nu eiser stelt zich te hebben gerealiseerd dat hij homoseksueel is in een omgeving waarin dit taboe is en dit een impactvolle gebeurtenis in eisers leven zou zijn geweest, heeft de minister deze verklaringen onvoldoende mogen vinden. De minister mocht daarom ook van eiser verwachten dat hij authentiek zou kunnen verklaren over hoe het voor hem was om dit voor zichzelf te moeten houden. Hetzelfde geldt voor eisers betrapping door zijn vader. Ook dit moet voor eiser een impactvolle gebeurtenis zijn geweest, maar eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij bang was, ongemak voelde en dat hij in de war was, zonder dit verder uit te leggen, terwijl de hoormedewerker eiser hiertoe wel de kans heeft geboden. Ook omdat dit een van de redenen is geweest dat eiser Kameroen heeft verlaten, mocht de minister van eiser verwachten dat hij meer zou kunnen vertellen over wat de betrapping van zijn vader met hem heeft gedaan. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft geboden in wat de opmerking van zijn moeder dat “hij wel gaat veranderen” met hem heeft gedaan. Eiser heeft daarover alleen verklaard dat hij het begreep, maar dat zijn geaardheid voor hem iets natuurlijks was. Uit eisers verklaringen blijkt weliswaar dat zijn opvattingen verschilden van die van zijn ouders, maar de minister heeft eiser juist gevraagd naar wat dit meningsverschil met hem deed. Eisers stelling dat hij geen energie wilde steken in het overtuigen van zijn ouders biedt hierin geen inzicht, en maakt de conclusie daarom niet anders. Juist omdat de opmerking van eisers moeder haaks staat op eisers eigen gevoel, mocht de minister verwachten dat hij meer zou kunnen verklaren over hoe hij zich daarover voelt. Ten slotte heeft de minister mogen vinden dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn thuissituatie na de betrapping door zijn vader. Op vragen hierover heeft eiser verklaard dat hij zich geneerde door de veranderde band met zijn ouders, maar dat hij geen keus had en dat hij trots op zichzelf was. Desgevraagd heeft eiser deze trots echter niet uit kunnen leggen.
Eiser heeft niet geconcretiseerd wat het voor hem betekent om in Nederland openlijk homoseksueel te zijn en deel te nemen aan een lhbti-organisatie.
11. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen van eiser over zijn activiteiten en contacten met Rainbow Den Haag Vluchtelingen niet blijkt dat deze organisatie voor hem belangrijk zou zijn. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij trots is op de organisatie en dat het hem gelukkig maakt dat hij deel kan uitmaken van een familie met gelijkgestemde personen. De minister is hier volledig aan voorbij gegaan. Verder verbindt de minister aan het feit dat eiser zijn geaardheid jarenlang geheim heeft moeten houden ten onrechte de conclusie dat daarom van hem mag worden verwacht dat hij authentiek en persoonlijk kan vertellen over hoe het is om in Nederland openlijk voor zijn geaardheid uit te komen. Het feit dat eiser zijn geaardheid jarenlang niet openlijk op tafel heeft kunnen leggen brengt nu juist mee dat hij hierover terughoudend verklaart. Dit komt ook overeen met eisers verklaring dat hij zich gegeneerd voelde over zijn geaardheid.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt wat het voor hem betekent om in Nederland openlijk homoseksueel te zijn en deel te nemen aan activiteiten van een lhbti-organisatie. Eiser heeft hierover namelijk enkel verklaard dat hij naar het adres van Rainbow Den Haag is gegaan, dat hij trots op hen is en het eiser gelukkig maakt om deel uit te maken van een familie met gelijkgestemde personen. De minister heeft mogen vinden dat eiser daarmee niet duidelijk heeft gemaakt waarom zijn deelname aan Rainbow Den Haag voor hem belangrijk is. Ook heeft de minister eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij geen namen kan noemen van de mensen die hij daar heeft ontmoet, en dat eiser niet bij benadering kan aangeven hoe vaak hij bij de activiteiten van Rainbow Den Haag is geweest. De minister heeft eisers verklaringen over hoe het is om homoseksueel te zijn in Nederland ook oppervlakkig mogen vinden. Op de vraag hoe eiser in Nederland uiting geeft aan zijn seksualiteit, gaf eiser aanvankelijk slechts een algemeen antwoord dat men zich kan kleden als een vrouw. Omdat eiser de vraag niet begreep heeft de hoormedewerker de vraag meerdere keren in andere bewoordingen gesteld, waaronder hoe mensen in het AZC kunnen zien dat eiser homoseksueel is. Daarop heeft eiser uiteindelijk alleen verklaard dat “het ervan afhangt”, maar waar dat dan van afhangt heeft eiser niet uit kunnen leggen. Juist omdat eiser zijn geaardheid jarenlang geheim heeft moeten houden en daar nu plots openlijk voor uit kan komen als hij dat wil, mocht de minister van eiser verwachten dat hij authentiek en persoonlijk zou kunnen verklaren over hoe hij zich uit en hoe het voor hem is dat hij dat nu openlijk zou kunnen doen. Eisers betoog dat hij door de jarenlange verzwijging van zijn geaardheid terughoudend heeft verklaard en de minister hem dit om die reden niet zou mogen tegenwerpen, volgt de rechtbank niet.
Problemen die voortvloeien uit zijn homoseksuele gerichtheid
12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen die voortvloeien uit zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig zijn. Ten onrechte is tegengeworpen dat eiser een onnodig groot risico nam door zijn partner op een verkeerspunt te kussen. De minister heeft namelijk onjuist geïnterpreteerd wat eiser hierover heeft verklaard en twee gebeurtenissen door elkaar gehaald. Eiser heeft enerzijds verklaard over dat mensen in het dorp hadden gezien dat hij en zijn partner elkaar kusten, en anderzijds over dat eiser en zijn partner waren gezien op een verkeerspunt. Verder heeft eiser de brief die de politie bij zijn ouders achterliet toen zij hem kwamen arresteren goed weten te omschrijven, in tegenstelling tot wat de minister stelt. Dat eiser alleen geen antwoord kan geven op de vraag hoe het politielogo op de brief er precies uitzag, betekent niet dat niet aannemelijk kan worden geacht dat eiser problemen heeft gekregen met de autoriteiten.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen die voortvloeiden uit eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig zijn. Hierbij heeft de minister allereerst in eisers nadeel mogen betrekken dat hij eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig heeft gevonden, gelet op wat onder 9.1, 10.1 en 11.1 is overwogen. Daarnaast heeft de minister eisers verklaringen over het incident op het kruispunt onlogisch mogen vinden. Eiser heeft verklaard dat hij zijn vriend op een verkeerspunt een kus heeft gegeven, waardoor zijn omgeving erachter kwam dat hij homoseksueel is. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hij niet inziet waarom eiser een onnodig groot risico zou hebben genomen waardoor hij makkelijk werd betrapt, nu hij vier jaar lang een relatie met zijn partner heeft gehad, hij de relatie die hele periode geheim heeft gehouden en hij op de hoogte was van hoe zijn omgeving tegen homoseksuelen aankijkt. Eisers stelling dat de minister onjuist heeft geïnterpreteerd wat eiser heeft verklaard en twee gebeurtenissen door elkaar heeft gehaald, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Uit eisers verklaringen over het incident blijkt duidelijk dat eiser over één incident heeft verklaard, waarbij eiser en zijn vriend elkaar kusten op een kruispunt. Tijdens de zitting heeft de minister verder toegelicht dat als het niet gebeurde op een kruispunt, het in de eerste plaats op de weg van eiser had gelegen om dat tijdens het gehoor duidelijk te maken, of in de correcties en aanvullingen aan de orde te stellen. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft met de Kameroense autoriteiten. Eiser heeft verklaard dat hij een politiebevel heeft gekregen na het incident op het verkeerspunt terwijl hij niet thuis was, maar eiser kon niets verklaren over de inhoud van het document of hoe het eruit zag. Gelet op het feit dat de brief van de politie doorslaggevend is geweest voor eiser om Kameroen te verlaten, mocht de minister van eiser verwachten dat hij hier meer over zou kunnen verklaren. Verder blijkt uit eisers verklaringen dat hij na het bevel van de politie nog een maand in Kameroen heeft verbleven. Dat eiser door de politie gezocht werd heeft de minister daarom onaannemelijk mogen vinden.
Conclusie
13. Gelet op wat onder 9.1, 10.1, 11.1 en 12.1 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet hoeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade?
14. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet hoeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Het asielrelaas van eiser duidt erop dat hij door de autoriteiten in Kameroen wordt gezocht vanwege zijn homoseksuele contacten. Daarmee is er sprake van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel een reëel risico op ernstige schade.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, zoals de rechtbank hiervoor onder 13 heeft overwogen, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. De minister heeft dan ook niet hoeven toetsen of eiser daarom een aannemelijke vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn nationaliteit en herkomst te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.