RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9661
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag af te wijzen in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de Werkinstructie (WI) 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. Daarnaast heeft de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn detentie – al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen – en de daaraan gelieerde problemen. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Oeganda geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot heeft de minister eisers asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond en eiser terecht een inreisverbod opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 september 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Oeganda komt, dat hij de Oegandese nationaliteit bezit en tot de Muganda bevolkingsgroep behoort. Eiser is in juli 2021 gearresteerd en tot juni 2022 gedetineerd geweest. Eiser vermoedt dat zijn arrestatie verband houdt met zijn politieke opvattingen. Hij was aangesloten bij de NUP van [persoon A] en heeft een kopie van zijn lidmaatschapskaart overgelegd. Eiser is op verschillende locaties (safehouses) gedetineerd geweest en met hulp van een vriend uit het leger en een hooggeplaatste majoor en andere soldaten ontsnapt. De majoor heeft eiser ook geholpen bij zijn uitreis. Sinds zijn ontsnapping heeft eiser niets meer vernomen van de personen die hem gevangen hebben genomen. Bij terugkeer naar Oeganda vreest eiser opnieuw opgepakt te worden of te worden vermoord.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- eisers detentie - al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen - en de daaraan gelieerde problemen.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De detentie - al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen - en de daaraan gelieerde problemen acht de minister echter niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en heeft hij daarvoor geen goede verklaring. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eisers verklaringen over zijn detentie - al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen - en de daaraan gelieerde problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over de periode dat hij in detentie heeft gezeten en kan hij ten aanzien van zijn detentie geen details verschaffen en baseert hij zich met name op vermoedens. Ook heeft eiser bevreemdend verklaard over zijn detentie, ontsnapping en uitreis. De minister stelt zich verder nog op het standpunt dat eiser zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend en dat hij hier geen goede verklaring voor heeft. Tot slot heeft eiser bij terugkeer naar Oeganda, vanwege zijn afkomst, geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade.
Is het beoordelingskader in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Eiser voert aan dat aan de door hem overgelegde NUP partij-lidmaatschapskaart ten onrechte niet de juiste bewijswaarde is toegekend.
De rechtbank ziet, overeenkomstig de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025, geen aanleiding voor het oordeel dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Verder heeft de minister eiser mogen tegenwerpen dat hij met het overleggen van de NUP-lidmaatschapskaart zijn asielmotief niet volledig heeft onderbouwd. Gelet hierop was de minister gehouden om, op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, nader te beoordelen of het asielmotief alsnog geloofwaardig kan worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Acht de minister eisers detentie – al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen – en de daaraan gelieerde problemen ten onrechte niet geloofwaardig?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn detentie - al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen - en de daaraan gelieerde problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten overgelegd en daarvoor geen goede verklaring voor gegeven. Eiser voert aan dat hij wel degelijk bewijs heeft geleverd, waaronder een NUP-lidmaatschapskaart, waaruit zijn politieke activiteiten blijken en de problemen die hij daardoor in zijn land van herkomst heeft ondervonden. Daarnaast betoogt eiser dat zijn verklaringen wel een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe voert eiser aan dat ten onrechte geen datacorrectie heeft plaatsgevonden en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met eisers individuele omstandigheden, waaronder stress, waardoor hij moeite had om details over zijn detentie te herinneren. Ten aanzien van het ontbreken van namen van personen die hem hebben geholpen, heeft eiser verklaard dat er geen namen zijn uitgewisseld omdat deze personen hun identiteit bewust verborgen hielden. Verder wijst eiser op landeninformatie waaruit blijkt dat sprake is van corruptie, willekeur en straffeloosheid. De aanname dat een majoor zijn carrière zou riskeren om eiser te helpen, vindt eiser een speculatieve aanname. Bovendien betoogt eiser dat het bestaan van zowel officiële en onofficiële detentiecentra het onaannemelijk maakt dat alle namen van gedetineerden centraal worden geregistreerd. Ook betoogt hij dat het begrip zoon in Oeganda een bredere betekenis heeft dan uitsluitend een biologische relatie en dat achternamen niet altijd overeenkomen, waardoor het aannemelijk is dat de majoor hem legaal heeft kunnen laten uitreizen. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn detentie – al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen – en de daaraan gelieerde problemen. De minister heeft met juistheid vastgesteld dat eiser zijn verklaringen over zijn detentie en de daaraan gelieerde problemen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Het overleggen van een NUP-lidmaatschapskaart is daarvoor ontoereikend. De minister heeft daarbij aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000. Zo heeft eiser verklaard dat na zijn ontsnapping zijn tante is aangevallen en dat daarbij een brief is achtergelaten waarin staat dat hij wordt gezocht. Het lag op eisers weg deze brief (of kopie) en medische documentatie te overleggen. Ook voor zijn stelling dat een andere tante is vermist en een neefje is vermoord, heeft hij geen indicatief bewijs geleverd, zoals een krantenartikel, aangifte of overlijdensakte. De minister mocht bovendien tegenwerpen dat eisers verklaring dat hij deze stukken nooit in bezit heeft gehad en daarom niet kan overleggen, geen afdoende reden is, nu achtergebleven familie, vrienden of een advocaat hem daarbij hadden kunnen helpen.
Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over zijn detentie – al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen – en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen in de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Eiser heeft wisselend verklaard over de detentieperiode. Hoewel van eiser, gelet op het MediFirst advies, geen exacte data worden verwacht, mocht de minister meewegen dat eiser in dit geval uit eigen beweging zeer specifieke data heeft genoemd, waarbij gelet op zijn universitaire scholing, van hem verwacht mag worden dat hij bij het uit eigen beweging benoemen van exacte data consistent is. De rechtbank volgt de minister in diens standpunt dat eiser dit niet is geweest. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij van 6 juli 2021 tot 19 juni 2022 in een safehouse gedetineerd is geweest en op 31 juli 2022 uit Oeganda is vertrokken. Eiser heeft op dit punt geen correcties en aanvullingen gedaan. Later tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij op 21 juli 2021 was gearresteerd. Ook op dit punt heeft eiser geen correcties en aanvullingen gedaan. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor geeft eiser wel aan dat hij op 16 juni 2022 is ontsnapt, in afwijking van zijn verklaringen in het aanmeldgehoor, en dat hij Oeganda op 31 juni 2022 is uitgereisd. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat deze correctie niet kan worden gevolgd. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat de genoemde datum op de Gregoriaanse kalender niet bestaat en dat juni slechts dertig dagen telt.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen concrete details heeft kunnen geven over zijn arrestatie en detentie. Eiser baseert zich grotendeels op vermoedens en kan niet duidelijk maken door wie en waarom hij is opgepakt. Zo vermoedt eiser dat zijn arrestatie verband houdt met een opgepakte vriend van wie hij contactgegevens in zijn telefoon had. Ook stelt eiser dat hij voorafgaand aan zijn eigen arrestatie is gebeld en dat zijn nummer mogelijk toen is getraceerd. Hij kan echter niet aangeven of de personen die hem belden ook betrokken waren bij zijn arrestatie. De minister mocht daarin meewegen dat eiser zijn arrestatie oppervlakkig heeft beschreven en daarover verschillend heeft verklaard. Zo gaf hij eerst aan dat de daders deels gemaskerd waren en in een auto zonder kenteken reden, terwijl hij later verklaarde geblinddoekt te zijn meegenomen en in een vrachtwagen met dertig anderen te zijn geplaatst. Zijn verklaring over dit aantal baseerde hij achteraf slechts op de stemmen die hij hoorde. Daarnaast kon eiser weinig verklaren over de reden waarom hij zou zijn opgepakt. Hoewel hij betoogt dat dit verband houdt met zijn steun aan de politieke partij NUP van [persoon A] , heeft hij deze betrokkenheid niet concreet kunnen onderbouwen en verklaarde hij bovendien niet politiek actief te zijn geweest, afgezien van een korte campagneperiode in december en januari 2021 voor de verkiezingen plaatsvonden in februari 2021. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij op dit punt in strijd met openbare informatie heeft verklaard nu uit deze informatie blijkt dat de verkiezingen in Oeganda in 2021 in januari plaatsvonden, en dat hierdoor niet gevolgd kan worden dat eiser dusdanig politiek betrokken was in Oeganda dat hij om die reden zou zijn gedetineerd. Gelet hierop, en gezien eisers opleidingsniveau en zijn stelling aanhanger en/of lid te zijn van een politieke partij, mag worden verwacht dat hij meer inzicht kan verschaffen in het causale verband tussen zijn gestelde politieke overtuiging/activiteiten en de gestelde detentie. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich daarom op het standpunt heeft mogen stellen dat dit causale verband niet aannemelijk is en bovendien niet strookt met eisers stelling dat zijn arrestatie willekeurig was. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser met zijn verwijzing naar openbare informatie over willekeurige arrestaties (van NUP leden) in Oeganda niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan in zijn geval sprake is.
In aanvulling hierop heeft de minister eisers verklaring over de detentie en ontsnapping bevreemdend mogen achten. Eiser kan niet verklaren waarom hij tijdens zijn detentie met medegevangenen lichamen moest dumpen. Dat dit moest van mensen die veel macht hadden heeft de minister bevreemdend mogen achten nu eiser expliciet heeft verklaard dat hij niet weet door wie hij gearresteerd en gedetineerd was. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers verklaringen over zijn ontsnapping niet overtuigend zijn. Eiser kent de naam van de oude man die zijn ontsnapping in gang zou hebben gezet niet en stelt dat vrienden uit het leger hem bij de ontsnapping hebben geholpen, terwijl hij tegelijk vermoedt dat hij juist door de overheid is gearresteerd en gedetineerd. De minister heeft eisers verklaring dat een hooggeplaatste majoor hem heeft geholpen bij zijn ontsnapping en uitreis niet aannemelijk mogen achten, omdat niet duidelijk is waarom deze persoon dat risico zou nemen. Eisers verwijzing in dit verband naar openbare informatie waaruit zou blijken dat in Oeganda sprake is van corruptie leidt niet tot een ander oordeel nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat in zijn geval een rol heeft gespeeld. Verder mocht de minister eiser tegenwerpen dat eiser Oeganda legaal met zijn eigen paspoort via de luchthaven heeft kunnen verlaten. Eisers verklaring, dat legaal uitreizen mogelijk was omdat de majoor zou hebben aangegeven dat eiser zijn zoon is en dat de detentie niet officieel geregistreerd was, heeft de minister onvoldoende mogen achten.
Tot slot heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend en daarvoor geen afdoende verklaring heeft gegeven in de zin van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000. Eiser heeft verklaard dat hij op 31 juli 2022 in Rome (Italië) is aangekomen en vervolgens per auto is doorgereisd naar Nederland, waar hij zich in Schiedam bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld. De reistijd tussen Rome en Schiedam bedraagt ongeveer 18 uur. Hoewel eiser heeft aangegeven onderweg te zijn gestopt, heeft hij zich pas ruim een maand na aankomst in Europa (Italië) in Nederland bij de autoriteiten gemeld. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet onverwijld een asielaanvraag heeft ingediend. De minister mocht daarbij betrekken dat eiser op 15 september 2022 bij de AVIM expliciet heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om asiel aan te vragen. Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan artikel 31, zesde lid, onder b, c en d, van de Vw 2000. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging en/of een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Oeganda geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe voert eiser aan dat hij bij terugkeer wel degelijk het risico loopt opgepakt te worden vanwege zijn (toegedichte) politieke overtuiging en dat het feit dat hij eerder is opgepakt een aanwijzing is dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Oegandese autoriteiten.
Het betoog van eiser dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Oeganda, slaagt niet. Onder 6.1 en verder heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister eisers verklaringen over zijn detentie – al dan niet als gevolg van zijn politieke opvattingen – en de daaraan gelieerde problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij als gevolg van zijn etniciteit problemen heeft ondervonden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij op welke wijze dan ook is uitgesloten van het maatschappelijk leven, enkel en alleen omdat hij behoort tot de Muganda bevolkingsgroep. De minister heeft de omstandigheid dat eiser afkomstig is uit Oeganda op zichzelf terecht onvoldoende geacht om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Oeganda een gegronde vrees heeft voor vervolging en/of een reëel risico loopt op ernstige schade. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister eisers asielaanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen omdat niet is gebleken dat hij zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend.
De rechtbank heeft onder 6.1.4. geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet onverwijld heeft ingediend en dat hij hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers asielaanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte een inreisverbod opgelegd?
9. Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen en dat de minister daardoor ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd.
De rechtbank heeft onder 8.1. reeds overwogen dat de minister de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. In dit verband heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het opleggen van een inreisverbod volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, nu de aanvraag van eiser terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister kan hier om humanitaire redenen van afzien en vaardigt geen inreisverbod uit wanneer dit in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet met objectieve gegevens onderbouwd dat hiervan in zijn geval sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft minister eiser een inreisverbod mogen opleggen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.