ECLI:NL:RBDHA:2026:10293

ECLI:NL:RBDHA:2026:10293

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer NL26.20022
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarendheid, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20022

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

De minister heeft op 26 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Bij uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank beslist op het eerste beroep. In de uitspraak van 23 januari 2026 heeft de rechtbank beslist op het eerste vervolgberoep en in de uitspraak van 4 maart 2026 op het tweede vervolgberoep.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 26 februari 2026.

Zicht op uitzetting en voortvarendheid

2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt naar Egypte, het land waar hij naartoe moet. Daarbij wijst eiser er op dat de minister vijf maanden geleden een laissez-passer (lp) heeft aangevraagd, maar dat die nog steeds niet is afgegeven. De minister licht niet toe hoe dat komt, en waarop nog wordt gewacht. Een onderzoek naar eisers identiteit en/of nationaliteit is immers niet nodig, nu eiser een (verlopen) paspoort heeft overgelegd. Ook werkt de minister onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat de minister pas heeft besloten om op zaakniveau te rappelleren nadat eiser al maanden in bewaring zat. Op 13 april 2026 zou eisers zaak besproken worden met de Egyptische vertegenwoordiger, maar dat is niet doorgegaan. De bespreking is nu verplaatst naar 8 mei 2026. De bewaring duurt daardoor weer langer. Verder staat in de voortgangsrapportage dat eisers zaak kan worden opgeschaald naar de adviseurs en dat zij in gesprek gaan met de luchtvaartmaatschappij als het lp-traject te lang duurt. Het is onduidelijk waarom de minister dit gesprek niet aangaat, maar het lp-traject afwacht.

3. De beroepsgrond slaagt niet. Het is niet gebleken dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte in zijn algemeenheid ontbreekt. Voor zover eiser aanvoert dat het verstrekken van een lp mogelijk lang duurt omdat de (politieke) verhoudingen tussen de Nederlandse en Egyptische autoriteiten niet goed zouden zijn, verandert dit het oordeel niet. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister tijdens de zitting onweersproken heeft toegelicht dat in 2024 en 2025 door de Egyptische autoriteiten nog lp’s zijn verstrekt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting in eisers concrete geval ontbreekt. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat een verlopen paspoort geen geldig reisdocument is. Daarom is voor eiser een lp aangevraagd. De Egyptische autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd en de exacte reden waarom dit nog niet is gebeurd is niet bekend, maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. Het traject duurt ook nog niet zodanig lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. De minister is afhankelijk van de Egyptische autoriteiten en moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Daar komt bij dat op eiser een vertrekplicht rust. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet.

De rechtbank overweegt verder dat de minister inmiddels op zaakniveau extra aandacht vraagt voor eisers dossier. Op 13 april 2026 stond er een afspraak gepland met de Egyptische vertegenwoordiger. Die afspraak is niet doorgegaan omdat de vertegenwoordiger met verlof was, maar het is niet gebleken dat de minister hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Er is inmiddels een nieuwe afspraak gemaakt voor 8 mei 2026. Op 19 april 2026 is de vertegenwoordiger gevraagd naar de status van eisers zaak. Verder heeft de minister op 12 maart en 2 april 2026 gerappelleerd op de lp-aanvraag en op 20 april 2026 een vertrekgesprek met eiser gehouden. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het soms zo is dat iemand met een verlopen paspoort toch toestemming van de autoriteiten krijgt om te worden toegelaten tot een land. Als dat gebeurt, moet nog wel toestemming worden gekregen van de luchtvaartmaatschappij. Het is dus niet zo dat de minister een reis- en toelatingsdocument kan regelen via de luchtvaartmaatschappij. Wat hierover in de voortgangsrapportage is opgeschreven lijkt anders te impliceren, maar dit is ongelukkig verwoord. De rechtbank kan deze uitleg van de minister volgen. De rechtbank oordeelt dat de minister gelet op de genoemde gang van zaken voldoende voortvarend handelt.

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Duifhuizen

Griffier

  • mr. L.G.C. Lelifeld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand