ECLI:NL:RBDHA:2026:10296

ECLI:NL:RBDHA:2026:10296

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer NL25.53083
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Derdelander Oekraïne, beroep tegen informatiebrief, rechtbank is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53083

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

Deze uitspraak gaat over het beroep tegen een algemene brief van de minister van 15 juli 2025. Met deze brief heeft de minister de zogeheten derdelanders aan wie facultatieve tijdelijke bescherming is verleend op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn), zoals eiser, geïnformeerd over de beëindiging van de zogeheten bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Deze maatregel zorgde ervoor dat deze derdelanders van wie de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 was geëindigd, hun rechten op grond van de Richtlijn tijdelijk konden behouden. Eiser is het er niet mee eens dat hij geen aanspraak meer maakt op tijdelijke bescherming. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen omdat de informatiebrief van 15 juli 2025 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij brief van 15 juli 2025 geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen

3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 17 juli 2024 ongegrond verklaard.

De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 18 augustus 2023 bekendgemaakt. In dit besluit is aan eiser geen terugkeerbesluit opgelegd. De reden hiervan was dat eiser een asielaanvraag had ingediend en de minister nog geen beslissing op deze aanvraag had genomen. Het besluit van 18 augustus 2023 is door de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024.

Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

Is de brief van 15 juli 2025 een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser kan opkomen tegen het aan hem toegezonden bericht van 15 juli 2025. Eiser betoogt namelijk dat de brief van 15 juli 2025 rechtgevolg heeft, omdat met deze brief voor eiser duidelijk werd dat zijn recht op tijdelijke bescherming is beëindigd. Daarom vindt eiser dat zijn beroep ontvankelijk is.

De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 18 augustus 2023 tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 een terugkeerbesluit was opgenomen, maar dat dit besluit later is ingetrokken. Eiser heeft op 1 mei 2024 een brief gehad dat zijn recht op tijdelijke bescherming op 5 maart 2024 is beëindigd, maar dat hij langer gebruik mag maken van de rechten die hij had onder de Richtlijn. Vervolgens heeft de minister met het besluit van 17 juli 2024 de asielaanvraag van eiser afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd.

Op 15 juli 2025 heeft de minister eiser opnieuw een brief gezonden over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel waarover eiser al eerder was geïnformeerd. Het beëindigen hiervan betekent dus dat de rechten die horen bij tijdelijke bescherming stoppen. De brief beschrijft de twee mogelijkheden die op een vreemdeling van toepassing kunnen zijn, namelijk (a) de situatie dat een derdelander op 4 september 2025 een verblijfsvergunning of een openstaande aanvraag voor een andere verblijfsvergunning heeft en (b) de situatie waarin dat niet het geval is. Er kan worden vastgesteld dat de brief van 15 juli 2025 een algemeen karakter heeft.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 november 2025, oordeelt de rechtbank dat de brief van 15 juli 2025, gelet op zijn algemeen informatieve karakter, in het geval van eiser niet kan worden aangemerkt als een besluit, bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Anders dan de situatie in de uitspraak van 10 november 2025 was aan eiser met het besluit van 17 juli 2024 al eerder een terugkeerbesluit opgelegd. De brief van 15 juli 2025 bevatte voor eiser daarom alleen de informatieve mededeling dat de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 eindigt. Uit het arrest Kaduna en de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 volgt dat de minister de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 kon beëindigen en dat hij dat ook heeft gedaan in een kamerbrief van 24 januari 2024. In de uitspraak van 23 april 2025 stelt de Afdeling verder vast dat de minister de vreemdelingen in die procedure schriftelijk heeft geïnformeerd over deze beëindiging.

Zoals hiervoor overwogen, was de brief van 15 juli 2025 niet de eerste keer dat eiser schriftelijk is geïnformeerd over het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. De brief zag enkel op het beëindigen van de bevriezingsmaatregel. Ook is al eerder een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Daarom kan eiser niet tegen de algemene brief van 15 juli 2025 opkomen.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat de brief van 15 juli 2025 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld. Evenmin is sprake van een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 waartegen een rechtsmiddel openstaat. De rechtbank is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan een bespreking van de overige beroepsgronden die door eiser zijn aangevoerd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand