RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.24881 en NL25.47467
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van een terugkeerbesluit. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk is. De minister heeft dat besluit, waartegen het beroep met zaaknummer NL23.24881 zich richt, namelijk ingetrokken. Het beroep tegen het daarna opgelegde terugkeerbesluit van 10 september 2025 met zaaknummer NL25.47467 is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser bij besluit van 23 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.24882). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 23 augustus 2023 ingetrokken. Dit vanwege de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 20 maart 2024 laten weten dat hij het beroep handhaaft.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep.
De minister heeft eiser met de brief van 1 mei 2024 geïnformeerd dat eisers recht op tijdelijke bescherming is gestopt op 5 maart 2024, maar dat hij langer gebruik mag maken van de rechten die hij onder de Richtlijn had. Ook is eisers asielaanvraag, die hij op 25 maart 2022 had ingediend, in behandeling genomen. Met het besluit van 8 oktober 2024 heeft de minister eisers asielaanvraag echter afgewezen als ongegrond.
Vervolgens heeft de minister eiser met de brief van 19 februari 2025 geïnformeerd dat eiser nog steeds gebruik mag maken van zijn rechten op grond van de Richtlijn. Dat komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren. De bevriezing duurt voort tot het moment dat uitspraak wordt gedaan op eisers beroep. Ook krijgt eiser mogelijk een terugkeerbesluit.
Op 4 juni 2025 heeft de minister een voornemen uitgebracht dat aan eiser een terugkeerbesluit zal worden opgelegd. Hier heeft eiser met de zienswijze van 2 juli 2025 op gereageerd. In de brief van 17 juli 2025 heeft de minister medegedeeld dat eiser geen terugkeerbesluit krijgt, omdat er nog een beroep loopt tegen het besluit van 8 oktober 2024 waarin eisers asielaanvraag is afgewezen. Het kan wel zijn dat eiser toch een terugkeerbesluit krijgt als de aanvraag wordt afgewezen. Op 10 september 2025 heeft de minister eiser alsnog een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.47467) en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan (NL25.47468).
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Pakistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 8 oktober 2024 ongegrond verklaard. Hiertegen is beroep ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit beroep met de uitspraak van 10 december 2025 ongegrond verklaard.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 23 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 31 januari 2024 heeft de minister eiser medegedeeld dat de beschikking van 23 augustus 2023 wordt ingetrokken. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.
Beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 (NL23.24881)
4. De minister heeft het besluit van 23 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 10 september 2025 (NL25.47467)
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem heeft uitgevaardigd en daarbij niet heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarnaast is het terugkeerbesluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De minister had eiser moet horen voordat er een beslissing werd genomen. Ook heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging verricht. Tot slot is het terugkeerbesluit volgens eiser niet overeenkomstig de Terugkeerrichtlijn tot stand gekomen.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor een individuele belangenafweging geen plaats is bij de vraag of er een terugkeerbesluit aan eiser kon worden opgelegd. Met het besluit terug te komen op de toepassing van de facultatieve bescherming voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister hoeft ook niet te kijken of eiser bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Deze vraag is immers al aan bod gekomen in de asielprocedure van eiser. Het beroep is ongegrond.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen het ingetrokken besluit van 23 augustus 2023 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
- het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- het beroep tegen het terugkeerbesluit van 10 september 2025 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.