RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52288
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het bestreden besluit bevat een onjuistheid over wat eiser in het nader gehoor heeft verklaard over het jaar van zijn uitreis, maar de minister heeft zich desondanks terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. Verder is het terugkeerbesluit dat de minister heeft opgelegd rechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de voorlopige voorziening (NL25.52289), op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2007. Hij is bij een razzia opgepakt toen hij thuis was en meegenomen naar een trainingskamp van de Eritrese regering in Hashferay. Eiser heeft hier twee tot drie maanden verbleven. Hierbij verrichte hij werkzaamheden, zoals helpen met koken en het ophalen van water en hout. Eiser was het oneens met de leefomstandigheden op het kamp en besloot met drie andere personen te ontsnappen. Na twee dagen te hebben gelopen is hij Eritrea illegaal ontvlucht en de grens met Sudan overgestoken. Bij terugkeer vreest eiser voor een slechte(re) behandeling in het trainingskamp.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen door het trainingskamp en de dienstplicht;
- eisers illegale vertrek uit Eritrea.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn. Eisers problemen door het trainingskamp en de dienstplicht en zijn illegale vertrek uit Eritrea heeft de minister daarom niet beoordeeld. Omdat eiser de minister bovendien heeft misleid over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft de minister eisers asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn?
5. Eiser heeft niet betwist dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet volledig heeft onderbouwd met (objectieve) documenten. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd, waarvoor hij geen goede verklaring heeft. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. De minister heeft hiervoor een aantal redenen gegeven. Aan de hand van die redenen, en wat eiser wat eiser daartegen aanvoert, bespreekt de rechtbank deze beroepsgrond.
Eiser heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn, omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd. Het ontbreken van documenten kan eiser niet worden aangerekend. Hij heeft een echt bevonden doopakte overgelegd. De minister stelt ten onrechte dat eiser over een family residence card zou moeten beschikken, omdat dit noodzakelijk is in de Eritrese maatschappij. Eiser komt namelijk uit het plattelandsgebied, waar minder vaak of zelfs helemaal geen residence cards worden afgegeven. Uit landeninformatie – waar het ambtsbericht naar verwijst – blijkt dat niet van iedere Eritreeër kan worden verwacht dat hij een residence card heeft. Eisers vader had als hoofd van de familie een residence card kunnen hebben gehad, maar hij is vertrokken toen eiser nog jong was, zodat het ook om die reden aannemelijk is dat eiser geen residence card heeft, en zelfs als hij die wel zou hebben, er niet op geregistreerd zou staan. Nu eiser een doopakte heeft overgelegd, wordt hem verder ten onrechte tegengeworpen dat hij geen geboortedocumenten heeft overgelegd. Het is bovendien aannemelijk dat eiser geen geboorteakte heeft. Er was namelijk geen reden voor eiser om er één aan te vragen, nu in het ambtsbericht staat dat niet alleen weinig geboorteaktes worden uitgegeven in Eritrea, maar ook dat doopaktes in plaats van geboorteaktes worden geaccepteerd. Verder kan niet van eiser worden verwacht dat hij zich alsnog wendt tot de Eritrese autoriteiten, en zou het bovendien geen nut hebben, omdat minderjarigen bij de ambassade geen identificerende documenten kunnen aanvragen.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser, zonder goede verklaring, onvoldoende documenten heeft overgelegd. Hoewel eiser wel een doopakte heeft overgelegd, heeft de minister dat onvoldoende mogen vinden, nu dit geen identificerend document is en uit landeninformatie volgt dat er meer documenten zijn die eiser had kunnen overleggen. Uit het ambtsbericht blijkt dat identiteitspapieren – zoals een zogeheten (family) residence card – noodzakelijk zijn om te kunnen functioneren in de Eritrese maatschappij. De residence card is immers nodig om in aanmerking te komen voor de basisbenodigdheden die de overheid subsidieert, zoals voedselcoupons, en bij het krijgen van toegang tot overheidsdiensten. Dat eiser geen family residence card heeft vanwege het vertrek van zijn vader op jonge leeftijd, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de minister namelijk toegelicht dat uit de door eiser aangehaalde landeninformatie volgt dat residence cards ook kunnen worden verstrekt aan andere leden van het gezin dan alleen het gezinshoofd. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat eiser – ook als hij geen schoolpas in zijn bezit heeft gehad – wel een schoolrapport had kunnen overleggen, aangezien eiser naar school is geweest. Verder verandert de stelling van eiser dat hij nooit een geboorteakte heeft ontvangen niets aan de verwachting die wordt gesteld, nu openbare bronnen aangeven dat dergelijke documenten in principe beschikbaar moeten zijn. Dat het gebrek aan documenten verschoonbaar zou zijn omdat eiser afkomstig zou zijn van het platteland, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij enkel om die reden geen (family) residence card of schoolrapporten in zijn bezit zou kunnen hebben. Uit het ambtsbericht blijkt weliswaar dat de afgifte van (family) residence cards gebruikelijker is in stedelijke gebieden, maar niet dat (family) residence cards niet in plattelandsgebieden worden afgegeven. Bovendien heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat de plaats waar eiser vandaan komt niet bijzonder klein en afgelegen is, en dat er meerdere scholen aanwezig zijn.
Eiser heeft onvoldoende kennis over de militaire dienstplicht in zijn gestelde
land van herkomst
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zijn kennis over de militaire dienstplicht onvoldoende is en dat hij meer basisfeiten of algemene omstandigheden over de militaire dienstplicht had kunnen benoemen. De minister maakt niet duidelijk welke basisfeiten of omstandigheden eiser nog meer had moeten kunnen benoemen en waarom, gezien zijn referentiekader. Dat eiser meer had kunnen moeten benoemen, omdat de dienstplicht centraal staat in zijn relaas, is een gelegenheidsargument en onvoldoende onderbouwd. De ervaring van eisers gemachtigde is dat minderjarige Eritrese asielzoekers die afkomstig zijn van het platteland, zoals eiser, weinig kennis hebben over de militaire dienst. Daarnaast is de kennis en ervaring die eiser wel heeft opgedaan met de dienstplicht de reden geweest voor hem om Eritrea te ontvluchten.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij weinig basiskennis heeft van de militaire dienstplicht in Eritrea. Op vragen van de hoormedewerker hierover heeft eiser alleen verklaard dat het niet goed was, dat je niet goed kunt slapen en eten, en dat je geen vrijheden hebt. Aangezien de dienstplicht een belangrijke reden voor eisers vertrek is geweest, mocht de minister verwachten dat eiser hier meer over zou kunnen verklaren. Tijdens de zitting heeft de minister ook toegelicht dat eiser zelf in een militair kamp stelt te hebben verbleven. Dat wat eiser heeft verklaard overeenkomt met zijn leeftijd en opleidingsniveau, zoals eisers gemachtigde tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, wordt daarom niet gevolgd door de rechtbank.
Eiser kan onvoldoende verklaren over het verkrijgen van identificerende
documenten in zijn gestelde land van herkomst
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende kan verklaren over het verkrijgen van identificerende documenten. Eiser is niet gevraagd naar basisfeiten over de procedures voor het aanvragen van documenten, met uitzondering van een enkele vraag tijdens het aanmeldgehoor van 30 maart 2024 over of hij wist hoe hij een paspoort moest aanvragen. Nu eiser een minderjarige is die afkomstig is uit plattelandsgebied, en een paspoort pas kan worden aangevraagd als men in militaire dienst heeft gezeten, is het niet vreemd dat eiser hiervan geen kennis heeft. Ook ziet eiser niet in waarom hij meer kennis zou moeten hebben van de procedure voor het aanvragen van een schoolpas, nu hem niet meer lijkt te worden tegengeworpen dat hij die niet heeft. Bovendien heeft eiser in de zienwijze toegelicht dat schoolpassen worden uitgereikt, niet aangevraagd.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren over het verkrijgen van identificerende documenten in Eritrea. Hoewel eiser alleen direct is gevraagd naar het aanvragen van een paspoort, heeft de minister eiser meerdere vragen gesteld over waarom hij documenten – zoals een schoolpas – niet in zijn bezit heeft en of hij ooit geprobeerd heeft om aan zulke documenten te komen. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij hier niet meer over heeft kunnen verklaren dan dat hij die documenten niet heeft gehad en hij niet heeft geprobeerd ze te verkrijgen, of niet weet waarom hij ze niet heeft gekregen. Eiser heeft immers een groot deel van zijn leven in Eritrea gewoond en daar tot zijn vijftiende op school gezeten. Weliswaar komt eiser uit een plattelandsgebied, maar dat enkele gegeven kan niet tot de conclusie leiden dat de minister zulke basiskennis niet bij eiser mocht verwachten. Daarbij komt dat de minister – zoals onder 6.1 is overwogen – heeft toegelicht dat de plaats waar eiser vandaan komt niet zó bijzonder klein en afgelegen is, nu er meerdere scholen zijn. Ook daarom doet eisers herkomstplaats er niet aan af dat de minister deze kennis van eiser mocht verwachten.
Eiser heeft onjuist verklaard over zijn persoonsgegevens
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat hij onjuist heeft verklaard over zijn persoonsgegevens. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij mag uitgaan van de meerderjarige leeftijd waaronder eiser in Italië is geregistreerd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister heeft onderzocht onder welke omstandigheden de verklaring die aan die registratie ten grondslag ligt is afgelegd. Eiser heeft een aannemelijke uitleg gegeven voor de afwijkende leeftijdsregistratie, maar die heeft de minister niet kenbaar en onvoldoende meegewogen bij het beoordelen van eisers leeftijd. Verder had de minister de door eiser overgelegde doopakte moeten betrekken bij die beoordeling. De stelling van de minister dat de doopakte onvoldoende bewijs zou zijn voor de minderjarigheid, doet daar niet aan af. Uit de stelling van de minister dat de verklaringen van eiser onvoldoende onderbouwd zijn blijkt bovendien dat de minister een onjuiste bewijslastverdeling heeft gehanteerd. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt namelijk dat de minister moet uitgaan van de minderjarigheid van eiser, en dat het aan de minister is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel mag uitgaan van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent echter niet dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie namelijk beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij in beginsel aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum aannemelijk te maken. Als een vreemdeling stelt minderjarig te zijn en de minister daar twijfels over heeft, geldt het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst heeft de minister voldoende onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser. Omdat naar aanleiding van de schouw waar eiser aan is onderworpen twijfel is ontstaan over de door hem opgegeven minderjarige leeftijd in Nederland ([geboortedag] 2007), heeft de minister de Italiaanse autoriteiten gevraagd welke gegevens zij over eiser geregistreerd hebben en onder welke omstandigheden die registratie tot stand is gekomen. De Italiaanse autoriteiten hebben geantwoord dat bij hen 1 januari 2005 geregistreerd is als eisers geboortedatum. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat uit het antwoord van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat de registratie uitsluitend is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser, nu daarin is vermeld dat geen documenten zijn overgelegd en dat geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden. Naar de omstandigheden waaronder die verklaringen zijn afgelegd heeft de minister voldoende geïnformeerd. Eiser is tijdens het aanmeldgehoor immers al gevraagd welke geboortedatum hij in Italië heeft opgegeven. Daarop antwoordde eiser dat hij eerst zijn werkelijke minderjarige leeftijd aan de Italiaanse autoriteiten had verteld, maar dit later wijzigde naar een meerderjarige leeftijd, omdat hij had begrepen dat hij niet weg mocht uit de opvang als minderjarige, en dat hij van zijn meerderjarige reisgenoten zou worden gescheiden. In de zienswijze en in beroep heeft eiser vastgehouden aan deze uitleg voor de meerderjarige leeftijd die in Italië is geregistreerd. Het wordt daarom niet ingezien naar welke andere omstandigheden de minister nog meer had moeten informeren. Vervolgens heeft de minister voldoende onderbouwd waarom hij veel gewicht heeft toegekend aan eisers registratie als meerderjarige in Italië. De minister heeft naar voren gebracht dat het onwaarschijnlijk is dat eiser eerst zijn gestelde minderjarig leeftijd in Italië zou hebben opgegeven, en daarna een meerderjarige leeftijd, zoals hij heeft verklaard. De minister heeft daarover naar voren gebracht dat het niet voor de hand ligt dat hij zomaar op elk moment zijn geboortedatum kan wijzigen. In Nederland kan dit namelijk ook niet zomaar. Tijdens de zitting heeft de minister verder toegelicht dat als eiser zijn leeftijdsregistratie zou hebben gewijzigd, er meerdere geboortedata bij de Italiaanse autoriteiten geregistreerd zouden moeten zijn. Volgens het antwoord van de Italiaanse autoriteiten is eiser echter maar met één geboortedatum bij hen geregistreerd, namelijk 1 januari 2005. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser in Italië ook onder een andere naam geregistreerd staat dan hij in Nederland heeft opgegeven, en dat eiser hier geen goede verklaring voor heeft kunnen geven. Eiser heeft alleen ontkend dat hij in Italië een andere naam heeft opgegeven en verklaart niet te weten waar de andere naam vandaan komt. Eiser heeft echter geen concrete redenen naar voren gebracht waarom deze registratie in Italië niet zou kloppen, zodat de minister terecht heeft overwogen dat hij geen reden heeft om aan deze registratie te twijfelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser over zijn persoonsgegevens onjuist heeft verklaard. De minister heeft voldoende heeft uitgelegd waarom hij uitgaat van de geboortedatum zoals geregistreerd in Italië en de minister heeft het vermoeden van de minderjarigheid voldoende gemotiveerd ontzenuwd. Eiser had zijn minderjarigheid aannemelijk kunnen maken met identificerende documenten, maar zulke documenten heeft hij niet overgelegd. De doopakte die eiser heeft overlegd heeft de minister onvoldoende mogen vinden om zijn gestelde leeftijd te onderbouwen. Een doopakte is namelijk geen identificerend document. Die bevat immers geen pasfoto en is niet door de Eritrese autoriteiten afgegeven, waardoor het niet als identificerend kan worden beschouwd.
Eisers kennis over Omhajer is gering
10. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers kennis over zijn herkomstplaats, Omhajer, gering is. De minister heeft namelijk ten onrechte gesteld dat eiser een onlogische routebeschrijving naar de lagere school in Ketay heeft gegeven.
Het betoogt slaagt niet. De minister heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij weinig kennis heeft over zijn woonplaats. Weliswaar is de routebeschrijving naar de lagere school in Ketay op zichzelf niet onlogisch, maar eiser heeft maar één plaats kunnen noemen die zich binnen een straal van 10 kilometer van zijn woonplaats bevindt. Ook heeft hij geen wijken kunnen noemen in zijn woonplaats die te achterhalen zijn.
Eiser heeft wisselend verklaard over het moment van zijn uitreis
11. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij de datum van zijn uitreis niet goed heeft genoemd in het aanmeldgehoor van 2 april 2024. Dit kan hem niet tegen worden geworpen, omdat dit wel een vergissing moet zijn.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser wisselend verklaard over het moment van zijn uitreis. Zo verklaarde eiser in zijn eerste aanmeldgehoor dat hij begin 2021 uit Eritrea is vertrokken, terwijl hij in zijn tweede aanmeldgehoor dat hij in november 2020 is vertrokken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog ter zitting dat het om een klein verschil gaat en het een evidente verschrijving betreft. Het gaat immers om een gat van twee tot drie maanden. Eiser heeft geen aannemelijk uitleg kunnen geven voor het verschil tussen zijn verklaringen hierover.
Verklaring van eisers tante
12. Eiser heeft in beroep ten slotte gewezen op een verklaring van een tante van hem die in Nederland woont, ter onderbouwing van zijn identiteit. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij weinig waarde hoeft te hechten aan die verklaring. De minister heeft tijdens de zitting namelijk voldoende toegelicht dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en de gestelde tante niet is aangetoond, en dat het hoe dan ook gaat om een verklaring van een niet-objectieve derde.
Eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd
13. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte in grote lijnen ongeloofwaardig vindt. Eiser weet niet waarom hij onder een andere naam is geregistreerd in Italië. Hij kent ook geen familieleden met deze naam.
Het betoog slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft in Italië immers een andere leeftijd en naam opgegeven dan hij in Nederland heeft gedaan, en heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. De rechtbank verwijst naar wat zij onder 9.2 heeft overwogen. Dat eiser in Italië andere persoonsgegeven heeft opgegeven, doet afbreuk aan zijn algehele geloofwaardigheid.
Onjuistheid in het besluit
14. Eiser betoogt dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat eiser in het nader gehoor zowel 2020 als 2021 heeft genoemd als datum van de uitreis, maar dat is niet juist. Eiser heeft daar verklaard dat hij in 2020 is opgepakt bij een razzia en vervolgens begin 2021 Eritrea heeft verlaten.
Het betoog slaagt. De minister heeft ten onrechte gesteld dat eiser in het nader gehoor zou hebben verklaard dat hij in 2020 Eritrea is uitgereisd. Eiser heeft in het gehoor namelijk verklaard dat hij in 2020 is opgepakt bij een razzia, niet dat hij toen het land heeft verlaten. Tijdens de zitting heeft de minister erkend dat het besluit op dit punt onjuist is. Het betoog slaagt dus, zodat het om die reden beroep gegrond is. Gelet op wat onder 6.1 tot en met 13.1 is overwogen, heeft de minister zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Is het opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig?
15. Eiser betoogt dat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit onrechtmatig is. De minister heeft namelijk geen land genoemd waar eiser naar moet terugkeren. De Afdeling heeft bepaald dat in een terugkeerbesluit altijd een land moet worden genoemd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft namelijk meerdere landen genoemd waarnaar eiser moet terugkeren. De minister heeft in het voornemen immers overwogen dat eiser moet terugkeren naar Eritrea, Soedan, Ethiopië of Djibouti. Het voornemen maakt deel uit van het terugkeerbesluit, en het terugkeerbesluit verwijst op dit punt ook uitdrukkelijk terug naar het voornemen.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond, omdat het besluit een onjuistheid bevat over wat eiser in het nader gehoor heeft verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand (zie onder 10.1). Eiser krijgt dus geen gelijk.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten van elk
€ 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.