RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21040
(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en
Procesverloop
De minister heeft op 4 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 19 januari 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 7 april 2026.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 21 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 31 maart 2026.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De minister beschikt over een originele Marokkaanse identiteitskaart van eiser. Desondanks heeft de minister tot op heden geen presentatie in persoon bij de Marokkaanse autoriteiten gepland. Alle vier de rappels zijn uitsluitend schriftelijk verzonden. Een presentatie in persoon is een effectieve methode om zowel eisers identiteit te laten bevestigen, als een toezegging om een laissez-passer (lp) te verkrijgen. Nu de minister heeft nagelaten om een presentatie in persoon in te zetten, handelt hij onvoldoende voortvarend. Eiser verzoekt de minister om inlichtingen te verschaffen over een dergelijke presentatie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 2 april 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de lp-aanvraag en het voeren van een vertrekgesprek op 2 april 2026. Dat er (nog) geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden maakt dit oordeel niet anders. Voor de vraag of een presentatie in persoon nodig is evenals voor de planning daarvoor, is de minister afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank ziet om die reden ook niet in waarom de minister inlichtingen dient te verschaffen over een (eventuele) presentatie in persoon. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank merkt op dat in de voortgangsrapportage bij punt 5 ‘aanvraag laissez-passer’ onder ‘bijzonderheden’ staat dat de Marokkaanse vertegenwoordiger te Utrecht is gevraagd naar de status van de lp-aanvraag en dat is benadrukt dat een originele identiteitskaart van eiser aanwezig is en getoond kan worden ter bevestiging van zijn nationaliteit, met als datum van deze opmerking 9 april 2026.
Nu ongeveer twee weken geleden bij de Marokkaanse autoriteiten is gevraagd naar de status van de lp-aanvraag waarbij de beschikbaarheid van de originele identiteitskaart nadrukkelijk aan de orde is gesteld, acht de rechtbank het voortvarend handelen van de minister op dit moment voldoende. Mocht bij een eventueel volgend vervolgberoep hier nog geen nadere informatie over in het dossier aanwezig zijn, kan de rechtbank aanleiding zien om hierover vragen aan de minister te stellen.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er is geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten met betrekking tot de lp-aanvraag ontvangen. Eiser wijst erop dat de Marokkaanse autoriteiten door de jaren heen perioden kennen van medewerking, en perioden kennen van stilte. Het uitblijven van iedere reactie, ook na vier rappels, is een concrete aanwijzing dat zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. Eiser verzoekt de minister inlichtingen te verschaffen over het aantal ingediende lp-aanvragen bij de Marokkaanse autoriteiten, het aantal nationaliteitsbevestigingen, het aantal feitelijke uitzettingen naar Marokko en de gemiddelde doorlooptijd van een aanvraag tot de afgifte van een lp.
De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Dat nog geen lp is afgegeven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. Er zijn door eiser ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten op niets zal uitlopen. Er is op dit moment dan ook geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp zal worden verstrekt. De rechtbank ziet ook geen reden om de minister te verzoeken om inlichtingen te verschaffen omtrent ingediende lp-aanvragen bij de Marokkaanse autoriteiten, nationaliteitsbevestigingen en het aantal feitelijke uitzettingen naar Marokko. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.