ECLI:NL:RBDHA:2026:10301

ECLI:NL:RBDHA:2026:10301

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer NL26.21804
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21804

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),

en

Procesverloop

De minister heeft op 6 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 maart 2026.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 23 april 2026 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 maart 2026 (in de zaak NL26.12685) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 17 maart 2026.

3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ontbreekt. Hij is ongedocumenteerd en al bijna drie maanden van zijn vrijheid beroofd. Sinds hij in bewaring is gesteld, hebben al vier vertrekgesprekken plaatsgevonden. De lp-aanvraag is op 9 maart 2026 ingediend en er is daarna twee keer schriftelijk gerappelleerd. Er is echter geen concrete aanwijzing dat op korte termijn een lp zal worden verstrekt.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels anders is. In geval van eiser is pas vrij recent, namelijk op 9 maart 2026, het lp-traject gestart. De lp-aanvraag is op 10 maart 2026 ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Dat dit traject enige tijd zal gaan duren maakt niet dat hierom moet worden aangenomen dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Bovendien kan eiser dit traject bespoedigen door zelf handelingen te verrichten om aan documenten te komen. Niet gebleken is dat eiser daartoe stappen heeft ondernomen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg

Griffier

  • mr. V. Bouman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand