RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39856
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich ten aanzien van de overgelegde documenten die eisers identiteit zouden moeten aantonen niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze nieuwe elementen niet relevant zijn voor de beoordeling van de door eiser gestelde identiteit. De minister acht de gestelde problemen met eisers oom (asielmotief 2) niet ten onrechte ongeloofwaardig. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de conclusies van het door eiser overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO)van 18 januari 2023 onvoldoende inzichtelijk zijn. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt, zodat eiser niet vanwege opgebouwd privéleven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Tot slot heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staat de eerdere asielprocedure vermeld. Onder 5 is te lezen wat aan onderhavige aanvraag ten grondslag ligt. Onder 6 is het bestreden besluit uiteengezet. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Guinee-Bissause nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2004. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De eerdere asielprocedure
3. Eiser heeft op 27 maart 2017 verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij wordt bedreigd door zijn oom omdat eiser tegen het huwelijk tussen deze oom en zijn moeder is. De minister heeft eisers identiteit ongeloofwaardig geacht. De minister achtte eisers nationaliteit, herkomst en minderjarigheid wel geloofwaardig. De minister achtte het asielrelaas primair ook ongeloofwaardig. Subsidiair achtte de minister het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend omdat eiser voor zijn gestelde problemen de hulp van de autoriteiten van Guinee-Bissau kan inschakelen. Verder meende de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers omdat hij een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in zijn land van herkomst dan wel elders frustreert. Daarbij leeft eisers moeder nog zodat in die zin adequate opvang aanwezig geacht mag worden. Bij uitspraak van 11 september 2017 staat de afwijzing in rechte vast.
4. Bij het eerdere besluit van 5 juli 2017 is ook een terugkeerbesluit opgelegd. Bij brief van 24 februari 2021 heeft de minister naar aanleiding van het TQ-arrest besloten om het terugkeerbesluit in te trekken omdat het onderzoek naar adequate opvang nog niet was afgerond of nog moest plaatsvinden.
Reden voor indienen van de onderhavige opvolgende asielaanvraag
5. Eiser heeft op 4 maart 2022 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Hieraan legt hij ten grondslag dat hij inmiddels zijn identiteit kan onderbouwen. Eiser heeft een geboorteakte en een geboorteboekje uit Guinee-Bissau ontvangen en overgelegd. Gelet op het AMV-beleid moet eiser sinds juni 2017 worden geacht in het bezit te zijn van rechtmatig verblijf in Nederland. Er dient namelijk nog nader onderzoek te worden verricht naar adequate opvang. Hierbij dient betrokken te worden dat eiser een sociaal leven heeft opgebouwd en onderwijs geniet in Nederland. De werkwijze om in deze gevallen slechts uitstel van vertrek te verlenen is bovendien in strijd met de Terugkeerrichtlijn. De minister had eiser ambtshalve een verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van humanitaire gronden, aangezien er ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd en verder geen vooruitgang is geboekt in zijn terugkeerprocedure. Eiser heeft inmiddels privéleven opgebouwd dat dient te worden beschermd ingevolge artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft eiser verklaard over de mishandelingen door zijn oom. Ter ondersteuning van zijn relaas overlegt eiser een rapport van een onderzoek door het iMMO van 18 januari 2023.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst en minderjarigheid bij eerste aanmelding in Nederland;
- gestelde problemen met eisers oom omdat eiser tegen huwelijk tussen oom en zijn moeder is.
De minister heeft de gestelde nationaliteit, herkomst en minderjarigheid in de eerste asielprocedure geloofwaardig geacht. De gestelde identiteit is niet geloofwaardig volgens de minister. De overgelegde documenten die eisers identiteit zouden aantonen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen, maar deze documenten kunnen niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verder acht de minister de gestelde problemen met eisers oom, omdat eiser tegen het huwelijk tussen zijn oom en zijn moeder is, niet alsnog geloofwaardig.
Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring en eisers verklaringen over de gestelde problemen met zijn oom vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister gaat voorbij aan de conclusies van het iMMO-rapport, omdat deze volgens de minister onvoldoende zijn onderbouwd/onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. De minister ziet geen aanleiding om aan te nemen dat eiser tijdens de eerste procedure niet goed heeft kunnen verklaren. De minister kent aan het algemeen belang van de Nederlandse staat meer gewicht toe dan aan het persoonlijk belang van eiser. Het weigeren van verblijf aan eiser, levert geen strijd op met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser komt niet in aanmerking voor een AMV-buitenschuldvergunning.
Is sprake van relevante nieuwe elementen of bevindingen?
7. Eiser voert aan dat de door hem overgelegde documenten, het geboorteboekje en een uittreksel uit het geboorteregister, indicatieve documenten zijn die iets zeggen over zijn identiteit en niet zonder meer terzijde kunnen worden geschoven. Hierbij is van belang dat verklaringen die als minderjarige zijn afgelegd minder gewicht behoren te krijgen dan officiële documenten. Bureau Documenten heeft geen reden gevonden om aan de wijze van afgifte te twijfelen. Mede gelet op de soevereiniteit van Guinee-Bissau moet aan de documenten waarde gehecht worden. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd gereageerd op eisers betoog.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten aanzien van de overgelegde documenten niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze documenten weliswaar kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen, maar dat deze documenten niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van eisers aanvraag. De rechtbank is het met de minister eens dat niet de gewenste waarde kan worden gehecht aan de overgelegde documenten in de opvolgende aanvraag. De minister stelt niet ten onrechte dat de overgelegde documenten niet kunnen worden aangemerkt als een officieel identificerend document. Daarom kunnen de documenten niet worden gezien als objectieve onderbouwing voor de gestelde identiteit. De minister ziet niet ten onrechte geen aanleiding om desondanks wel enige waarde aan de documenten toe te kennen. De minister wijst er op dat de overgelegde documenten door Bureau Documenten weliswaar technisch gezien positief zijn beoordeeld, maar dat over de juistheid van de inhoud, opmaak en afgifte van de documenten géén uitspraak kan worden gedaan. Verder stelt de minister niet ten onrechte dat eiser geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor de wijze van verkrijging van de documenten. Eiser heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de documenten op de correcte wijze zijn aangevraagd en afgegeven. Dit komt voor rekening en risico van eiser. De minister stelt bovendien niet ten onrechte dat de documenten die eiser heeft overgelegd tegenstrijdig zijn met zijn eerdere verklaringen voor wat betreft de naam van eisers vader. In voorgaande procedure heeft eiser verklaard dat zijn vader [naam 1] heet. Deze verklaring is nooit gecorrigeerd. In de door eiser overgelegde documenten in de huidige procedure staat als zijn vaders naam genoemd: [naam 2]. De minister stelt niet ten onrechte dat eiser hiervoor geen bevredigende verklaring heeft gegeven. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat eisers identiteit nog steeds niet geloofwaardig is. De minister heeft zijn standpunt in het bestreden besluit ook voldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de gestelde problemen met eisers oom, omdat eiser tegen het huwelijk tussen zijn oom en zijn moeder is, ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
8. Eiser betoogt dat hij structureel is mishandeld door zijn oom en dat het door hem overgelegde iMMO-rapport zijn relaas ondersteunt met medische bevindingen. De minister had de conclusies van het rapport moeten betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn relaas. De tegenwerpingen van de minister zijn volgens eiser onvoldoende om te kwalificeren als concrete aanknopingspunten die maken dat niet langer van het iMMO-rapport als deskundigenrapport kan worden uitgegaan.
Eiser voert verder aan dat hij als minderjarige beperkt was in zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, zodat discrepanties in verklaringen verklaarbaar zijn. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre de conclusies van het iMMO-rapport over eisers capaciteit om te verklaren zijn meegenomen in de beoordeling van eisers verklaringen.
Toetsingskader
Een iMMO-rapport is een deskundigenrapport. Wanneer een vreemdeling in de bestuurlijke fase, dan wel binnen de grenzen van de goede procesorde in de beroepsfase, een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de minister de conclusie uit dit rapport betrekken bij zijn beoordeling. Indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan de minister hieraan niet voorbijgaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen.
Het iMMO verricht medisch en psychisch onderzoek in asielzaken. Het iMMO onderzoekt of lichamelijke bevindingen, zoals littekens of verwondingen, en psychische klachten passen bij de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Daarnaast beoordeelt iMMO of eventuele psychische klachten van invloed kunnen zijn geweest op het vermogen van de vreemdeling om tijdens de asielgehoren compleet, coherent en consistent te verklaren. Het iMMO werkt met een vaste vraagstelling, bestaande uit een A1-, A2- en B-vraag. De A1- en A2-vraag betreffen de mate waarin lichamelijke respectievelijk psychische klachten kunnen zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas, aan de hand van de gradaties uit het Istanbul Protocol, variërend van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. De B-vraag ziet op de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten het verklaringsvermogen van de vreemdeling ten tijde van het asielgehoor hebben beïnvloed.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2025 volgt -kort gezegd- dat als het iMMO bij de B-vraag tot de conclusie komt dat de geconstateerde psychische/lichamelijke problematiek beperkingen geeft die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren, het iMMO inzichtelijk dient te maken dat die conclusie is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Als dat het geval is, dan zal het iMMO inzichtelijk moeten maken waarom en in hoeverre de bij de vreemdeling geconstateerde klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis en waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas. Diagnostisering met posttraumatische stressstoornis (PTSS) volstaat daarvoor niet, aangezien de invloed van PTSS op het geheugen per persoon verschilt. De betreffende iMMO-rapportage zal nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de psychische problematiek concreet de werking van het geheugen van de vreemdeling, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed.
Wat concludeert het iMMO?
9. De conclusie in het iMMO-rapport met betrekking tot de A-vragen is dat de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek kan zijn voortgekomen uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. De bij het onderzoek naar voren gekomen lichamelijke problematiek (meerdere littekens, beenlengteverschil en bijbehorende pijnklachten) worden als consistent dan wel zeer consistent beoordeeld. Aan de psychische problematiek (PTSS-klachten en daarmee samenhangende klachten) is de gradatie van typerend toegekend. De specifieke klachten passen naar vorm, inhoud en beloop bij de door betrokkene gestelde bedreigingen en mishandelingen door zijn oom in Guinee-Bissau, die voor betrokken, naar hij zegt, de reden voor zijn vlucht zijn geweest. Het totaal van bevindingen is beoordeeld als typerend met het gestelde geweld.
Met betrekking tot de B-vraag concludeert het iMMO dat bij eiser ten tijde van de asielgehoren in 2017 sprake was van medische problematiek die van invloed is geweest op het vermogen om te verklaren. De geconstateerde problematiek (jonge leeftijd, beperkte scholing en laag gemiddeld geschatte intelligentie van betrokkene) beperkingen heeft gegeven die ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. In het rapport zijn naast de lichamelijke problematiek (meerdere littekens, beenlengteverschil en bijbehorende pijnklachten) PTSS-klachten (en daarmee samenhangende klachten) gesignaleerd.
Heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met eisers vermogen om te verklaren?
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met eisers vermogen om te verklaren. De minister wijst allereerst terecht op het medisch advies van 19 april 2017 waaruit volgt dat uit de bij eiser geconstateerde medische klachten geen beperkingen voortvloeien voor het horen en beslissen. De minister stelt terecht dat bij de gehoren is stilgestaan bij dit medisch advies, aandacht is besteed aan eisers gezondheid en dat niet is gebleken van signalen van psychische problematiek. De minister wijst er ook terecht op dat uit het rapport nader gehoor niet blijkt dat het gehoor niet goed is verlopen en/of dat eiser de vragen niet zou hebben begrepen. Eiser is meer dan eens gevraagd of hij de tolk goed verstond en aan eiser is gezegd dat hij het dient aan te geven wanneer hij de vragen niet goed begrijpt of als er problemen zijn met het begrijpen van de tolk. Eiser heeft aangegeven dat hij dat zal doen en heeft daar ook naar gehandeld. Tijdens het nader gehoor is ook geregeld gecheckt hoe het met eiser ging en eiser gaf telkens aan dat het goed ging. In de conclusie in het iMMO-rapport, dat de bij eiser geconstateerde problematiek zeer waarschijnlijk invloed heeft gehad op eisers vermogen om te verklaren, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om aan te nemen dat eiser tijdens het nader gehoor niet goed heeft kunnen verklaren. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat, voor zover de conclusie berust op een op eiser toegespitste beoordeling, onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom en in hoeverre de bij eiser geconstateerde klachten hebben geleid tot een geheugenstoornis en waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas. De minister stelt terecht dat de enkele diagnostisering in 2019 met PTSS daarvoor niet volstaat. Daarbij merkt de minister ook terecht op dat er geen duidelijke geheugenproblemen zijn waargenomen in het iMMO-rapport. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de conclusies van het iMMO-rapport ten onrechte niet betrokken in de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas?
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de conclusies in het iMMO-rapport met betrekking tot de A-vragen niet inzichtelijk zijn en dat de redenering niet aansluit bij de conclusies. De minister wijst er terecht op dat de onderliggende feiten waar het iMMO vanuit is gegaan niet overeenkomen met eisers verklaringen tijdens de asielprocedure. De conclusies in het iMMO-rapport zijn gebaseerd op de verklaringen van eiser over een vijftal incidenten, terwijl eiser over twee van deze incidenten in het geheel niet heeft verklaard bij de IND. Het iMMO is daarmee van andere feiten uitgegaan en een uitleg over hoe het rapport zich, voor wat betreft deze feiten, tot het asielrelaas verhoudt ontbreekt. De conclusie in het rapport, dat wat eiser heeft verteld in lijn is met wat hij in de gehoren aan de IND in 2017 heeft verteld, is dan ook onjuist. Gelet op het voorgaande voldoet de rapportage reeds niet aan de eisen zoals die volgen uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling. In de door eiser overgelegde reactie van het iMMO van 4 december 2025 ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De minister heeft dan ook voorbij mogen gaan aan de conclusies in het iMMO-rapport en was niet gehouden om een zelf een medisch deskundige in te schakelen. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde problemen met eisers oom ongeloofwaardig zijn. De minister wijst er terecht op dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. De minister heeft zich ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Artikel 8 van het EVRM
10. Eiser voert aan dat hij als alleenstaande minderjarige privéleven in Nederland heeft opgebouwd binnen een opvanggezin. Het ontbreken van identiteitsdocumenten mag hieraan niet af doen. De beoordeling van de minister is volgens eiser in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het EU Handvest, aangezien een volledige belangenafweging wordt verlangd.
De rechtbank stelt vast dat eiser op de zitting de beroepsgrond over familieleven in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft laten vallen.
De rechtbank stelt voorop dat de minister aanneemt dat eiser privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Dit betekent echter niet dat het weigeren van verblijf tot een schending van recht op bescherming van dat privéleven leidt. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat de belangenafweging in het voordeel van de staat uitvalt. In eisers voordeel weegt mee dat hij acht jaar in Nederland verblijft. Gelet op de leeftijd waarop eiser naar Nederland is gekomen en hij een deel van zijn vormende jaren in Nederland heeft doorgebracht, kan worden geconcludeerd dat hij sterke banden met Nederland heeft ontwikkeld. In het nadeel van eiser weegt mee dat eiser nooit op grond van een verblijfsvergunning verblijf heeft gehad in Nederland. Eiser heeft privéleven opgebouwd terwijl hij geen rechtmatig verblijf had. Het uitgangspunt is dan ook dat eiser geen bescherming van privéleven heeft op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft zichzelf in deze positie gebracht. Verder heeft eiser dertien jaar, dus een substantieel deel van zijn leven, in Guinee doorgebracht, heeft hij de Guinese nationaliteit, spreekt hij Fula en heeft hij in Guinee-Bissau onderwijs gevolgd. Er mag daarom worden verondersteld dat eiser sterkere banden heeft met Guinee-Bissau dan met Nederland. Dat eiser in Nederland vrienden heeft, aan sport doet en (vervolg)opleidingen heeft gedaan wil nog niet zeggen dat daarmee zijn banden met Nederland zijn geïntensiveerd. Niet wordt ingezien dat eiser dit niet kan voortzetten in Guinee-Bissau. Verder stelt de minister terecht dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat sprake is van een bijzondere binding. In eisers nadeel weegt ook mee dat eiser aangeeft dat hij niet wenst terug te keren naar Guinee-Bissau. Door eiser is echter niet aangetoond dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan en zou hij mogelijk een beroep doen op de middelen van de staat. Dit weegt in eisers nadeel. Verder is van belang dat eiser niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Eiser heeft nadat hij een keer naar Brussel is gereisd in december 2021 naar de ambassade, geen poging meer gedaan om documenten te verkrijgen. Dit weegt ook in eisers nadeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Buitenschuldbeleid AMV
11. Eiser voert aan dat hij langdurig in onzekerheid heeft verkeerd, zonder dat het onderzoek naar adequate opvang is gerealiseerd. Eiser betoogt dat de minister de bewijslast onevenredig op eiser afschuift, terwijl de minister verplicht is tot actief en grondig onderzoek. Eiser heeft pogingen gedaan om documenten te verkrijgen. Het feit dat eiser minderjarig was en beperkte cognitieve vermogens heeft, is geheel buiten beschouwing gelaten.
Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat hij geen vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor minderjarige vreemdelingen aan eiser had moeten verlenen. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek naar adequate opvang nog niet was afgerond tijdens eisers minderjarigheid. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat dit onderzoek ook niet afgerond kon worden in deze periode. Eiser heeft namelijk onvoldoende meegewerkt aan dit onderzoek. Dat het onderzoek naar adequate opvang zo lang heeft geduurd, komt dan ook geheel voor eisers rekening en risico.
Gedurende de voorgaande asielprocedure is tijdens de gehoren onderzoek gedaan naar adequate opvang. Er zijn meerdere gesprekken gevoerd bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Eiser beschikt in het geheel niet over een geldig document voor grensoverschrijding, waardoor zijn identiteit niet aannemelijk is gemaakt. Dit volgt uit een verslag van 10 oktober 2017. Uit het Informatiebericht 2025/13 volgt dat als de AMV zijn identiteit, niet aannemelijk heeft gemaakt, de minister niet kan vaststellen of er sprake is van adequate opvang. De AMV werkt immers niet mee aan het onderzoek daarnaar. De minister maakt deze stand van zaken van het onderzoek naar adequate opvang kenbaar bij de ambtshalve toets aan het AMV buitenschuldbeleid. Nader onderzoek door DT&V moet uitwijzen of alsnog adequate opvang kan worden vastgesteld. Het aannemelijk maken van de identiteit is dus van essentieel belang om voor een buitenschuldvergunning in aanmerking te komen. Ook moet blijken dat eiser het onderzoek naar adequate opvang niet heeft gefrustreerd. In dit geval heeft eiser onvoldoende meegewerkt. Dat legt de rechtbank hieronder nader uit.
Tijdens de gesprekken met DT&V is duidelijk gemaakt dat eiser identificerende documenten moest overleggen. Uit een verslag van 21 oktober 2019 blijkt dat eiser is medegedeeld dat als hij een nationaliteitsverklaring aan wil vragen bij de Guinee-Bissause ambassade, dat de verwachting is dat de ambassade deze af wil geven. Als eiser naar de ambassade in Brussel wil, is DT&V bereid om vervoer te regelen. In het verslag van 20 december 2020 is door eisers voogd verklaard dat zij de ambassade heeft geprobeerd te bellen, maar dat de oproep niet is beantwoord. Uit het verslag van 25 november 2021 blijkt dat eisers voogd heeft geprobeerd contact te leggen met de ambassade in Brussel, maar deze niet te bereiken is. Wel heeft ze via de consul in Nederland contactgegevens kunnen krijgen van de ambassade in Brussel. Niet wordt ingezien dat er door eiser of zijn voogd niet opnieuw contact is gezocht met de consul in Nederland om te proberen via hem in contact te komen met de ambassade in Brussel. Blijkens het verslag van 1 maart 2022 is eiser met zijn voogd in december 2021 naar de Guinee-Bissause ambassade in Brussel afgereisd om zo te proberen aan documenten te komen, maar zou de ambassade toen dicht zijn geweest. In december 2021 was de eerste keer dat eiser heeft geprobeerd documenten te verkrijgen. Niet wordt ingezien waarom daarmee zo lang is gewacht. Het getuigt van onvoldoende meewerken. Dat eiser angst had om naar de ambassade af te reizen is, zoals de minister stelt, geen verschoonbare reden. Niet is gebleken dat er nadere pogingen zijn ondernomen na december 2021 om de ambassade te contacteren.
De rechtbank is het verder met de minister eens dat eiser onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar adequate opvang bij familie tot in de vierde graad. Voorop wordt gesteld dat deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, in haar uitspraak heeft geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat eiser onvoldoende heeft verklaard over zijn familie, waardoor er geen onderzoek kan worden gedaan naar de opvangmogelijkheden in zijn land van herkomst. Deze uitspraak staat, na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 september 2017, in rechte vast. DT&V heeft na de afwijzing van de asielaanvraag verder onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van adequate opvang. Verder blijkt dat eiser geen stappen heeft gezet om zelf in contact te komen met zijn familie. In het verslag van 20 september 2018 heeft eiser verklaard niets te proberen. Ook uit het verslag van 8 april 2019 volgt dat eiser geen stappen heeft ondernomen om contact te krijgen met zijn familie. In het verslag van 21 oktober 2019 heeft eiser verklaard bij het Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) te zijn geweest. Eisers voogd verklaarde dat het IOM informatie aan eiser heeft gegeven en dat de bal bij eiser ligt. Het contact van eiser met het IOM is op geen enkele wijze nader onderbouwd. Verder heeft eiser ook niet naar aanleiding van het gesprek met IOM verdere acties ondernomen. In het gesprek van 4 oktober 2021 is naar voren gekomen dat eiser heeft geprobeerd om via Facebook contact te zoeken met zijn moeder en familie, maar dat dit niet is gelukt. Dat eiser via facebook heeft geprobeerd in contact te komen met zijn moeder en familie is niet nader onderbouwd. In de correcties en aanvullingen heeft eiser de gegevens van zijn Facebook en Instagram-account gedeeld, dit heeft eiser niet gedeeld met DT&V. De minister merkt terecht op dat eiser hiermee DT&V een aanknopingspunt heeft ontnomen in het kader van het onderzoek naar adequate opvang.
De minister werpt eiser ook terecht tegen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard. In het verslag van 25 november 2021 heeft eiser aangegeven dat hij in Nederland niemand kent die ook uit Guinee-Bissau komt. In het gehoor van 7 februari 2025 heeft eiser echter verklaard over [persoon A] en dat [persoon A] hem heeft geholpen met het ontvangen van documenten. Deze documenten heeft eiser begin 2021 via [persoon A] gekregen. Eiser heeft echter geen informatie over [persoon A] gedeeld met DT&V, zodat de minister terecht opmerkt dat informatie is achtergehouden die voor DT&V mogelijk tot een aanknopingspunt had kunnen leiden in het onderzoek naar adequate opvang. Eiser heeft de documenten, die hij via [persoon A] heeft gekregen, ook niet ingediend bij DT&V. Hierdoor heeft eiser DT&V aanknopingspunten ontnomen die relevant zijn voor het onderzoek naar adequate opvang. De minister merkt ook terecht op dat eiser onvoldoende medewerking heeft verleend aan het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Eiser heeft immers niet meegewerkt aan de aanvraag voor een laissez-passer voor Guinee-Bissau. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.