Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/166667-23
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
verblijfadres: [adres 2] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 augustus 2024 (regie) en 20 april 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 20 april 2026. De inhoud van de tenlastelegging en de wijziging van deze tenlastelegging zijn als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht.
3. Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de dagvaarding, na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 20 april 2026, partieel nietig te verklaren, omdat deze in onderling verband bezien onvoldoende feitelijk en onvoldoende duidelijk omschrijft wat de verdachte wordt verweten. Volgens de raadsman is onder feit 1 niet helder op welke specifieke middelen en welke concrete hoeveelheden de tenlastelegging ziet. Ook onder feit 2 is onvoldoende gespecificeerd om welke hoeveelheden cocaïne het gaat. Daarnaast is het volgens de raadsman onbegrijpelijk en in strijd met de systematiek van de Opiumwet dat gedragingen die zien op afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne tevens als
voorbereidingshandelingen ten aanzien van dezelfde feiten ten laste zijn gelegd. De verdachte is hierdoor volgens de raadsman in zijn verdediging geschaad.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het verzoek af te wijzen, nu de tenlastelegging voldoende duidelijk is.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering moet de dagvaarding onder meer een opgave bevatten van het ten laste gelegde feit, met vermelding van tijd en plaats en van de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. De tenlastelegging moet daarbij voldoende duidelijk en feitelijk zijn omschreven, zodat voor de verdachte – mede in samenhang met het onderliggende dossier – begrijpelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en wat de rechter dient te onderzoeken.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, zeker bezien in samenhang met de inhoud van het dossier, aan deze eisen voldoet. Het moet de verdachte in redelijkheid voldoende duidelijk zijn geweest welke gedragingen hem werden verweten en waartegen hij zich diende te verdedigen. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het beroep op partiële nietigheid van de dagvaarding. De dagvaarding is derhalve geldig.
4. Bewijsuitsluiting
Bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige verkrijging Sky-data
In de beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. In deze beslissing heeft de Hoge Raad het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing. In het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) heeft de Hoge Raad uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:
“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014/41/EU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis had gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).
De raadsman heeft ter zitting betoogd dat de in het dossier opgenomen SkyECC berichten van het bewijs dienen te worden uitgesloten ex artikel 359a Sv, onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 heeft overwogen.
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent – onder andere – het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in voldoende mate in staat is het bewijsmateriaal te betwisten dat zich in het dossier bevind. Dit geldt ten aanzien van de accounts die aan de verdachte worden toegeschreven, de inhoud van de berichten die aan die accounts worden gekoppeld evenals ten aanzien van de bewijsvergaring in het opsporingsonderzoek. In hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanleiding om te veronderstellen dat op basis van het voorliggende dossier geen, althans onvoldoende, inzicht kan worden verkregen in de wijze waarop het opsporingsonderzoek is vormgegeven. Hetzelfde heeft te gelden voor de vraag naar de betrouwbaarheid van de (inhoud van) de aan de verdachte toegeschreven berichten. Van een schending van de artikelen 6 en 8 EVRM is de rechtbank dan ook niet gebleken. Daarbij komt dat – anders dan het standpunt van de verdediging veronderstelt – uit het arrest van de Hoge Raad slechts volgt dat, indien en voor zover de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014/41 van toepassing zijn,, schending van de betreffende regeling een relevant gezichtspunt is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om het onderzoek te heropenen ter aanhouding van de zaak om zich nader te laten voorlichten. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen.
Gestelde vormverzuimen bij de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en de aanhouding
De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van disproportionele inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden en een onrechtmatige aanhouding van de verdachte door het arrestatieteam. Volgens de verdediging vormden de gebruikte Sky-gegevens een te beperkte en gedateerde basis voor de inzet en verlenging van ingrijpende opsporingsbevoegdheden. Daarnaast zou geen sprake zijn geweest van een concrete noodzaak voor inzet van het arrestatieteam en het blinddoeken van de verdachte bij de aanhouding. Daarmee is volgens de verdediging sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De verdachte is hierdoor in zijn belangen geschaad, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op grond van artikel 359a Sv.
De rechtbank overweegt dat er aanwijzingen waren voor mogelijk vuurwapenbezit, gelet op de aard en ernst van de verdenking en de door de officier van justitie ter terechtzitting gegeven verwijzing naar (onder meer) chatgesprekken. De rechtbank oordeelt aldus dat de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden en het arrestatieteam niet onrechtmatig of disproportioneel was. Van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is daarom niet gebleken. Reeds hierom bestaat geen aanleiding om te komen tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.
5. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage 3 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Identificatie Sky-ECC accounts
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de aan hem toegeschreven Sky-accounts, aangezien geen Sky-toestel onder hem in beslag is genomen. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat ook anderen, onder wie zijn broer, gebruik hebben gemaakt van deze accounts.
De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Uit het dossier volgt immers dat de Sky-ID’s [account 1] , [account 2] , [account 3] en [account 4] door één en dezelfde gebruiker werden gebruikt. Deze conclusie is gebaseerd op overeenkomsten in gebruikte nicknames (‘ [bijnaam] ’), telecomgegevens, contactenstructuur, inhoud van de chatberichten en de periode waarin de accounts actief waren. Uit de chatberichten van [account 3] is gebleken dat de gebruiker van dit account de eigenaar is van het bedrijf genaamd [bedrijf] . De verdachte is eigenaar van dit eenmansbedrijf.
Daarnaast volgt uit het telecomonderzoek dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik was bij de verdachte. Dit nummer komt naar voren in de analyse van historische telecomgegevens en wordt in het dossier in verband gebracht met communicatie waarin wordt gesproken over een garagebox waar de verdachte staat ingeschreven, een vrachtwagen waarvan zijn bedrijf eigenaar is en waarbij de gebruiker bij zijn voornaam wordt aangesproken. Uit de analyse van zendmastgegevens blijkt voorts dat deze aansluiting zich meermalen in de directe omgeving van het woonadres van de verdachte bevond en dat de verplaatsingen van deze telefoon synchroon liepen met die van een voertuig van de verdachte.
Uit het metadataonderzoek volgt verder dat de telefoon die was gekoppeld aan genoemd nummer ( [telefoonnummer] ) in verband kan worden gebracht met het gebruik van de hiervoor genoemde Sky-accounts, nu de communicatiepatronen, contactenstructuur en gebruiksperiode van deze accounts overeenkomen met de aan de verdachte toe te schrijven telecomgegevens. In combinatie met de stemherkenning, waarbij voiceberichten afkomstig van dit telefoonnummer zijn vergeleken met voiceberichten van de accounts [account 1] , [account 3] en [account 4] , levert dit een consistente identificatie van de gebruiker op.
Voor de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van de betreffende Sky-accounts, is niet vereist dat een Sky-toestel onder hem in beslag is genomen. De identiteit van een gebruiker kan in dit geval voldoende worden vastgesteld op basis van de inhoud van de communicatie, metadataonderzoek en overige objectieve gegevens uit het dossier.
Gelet op de resultaten van het metadataonderzoek, de koppeling van het telefoonnummer [telefoonnummer] aan de verdachte, de inhoud van de communicatie waarin wordt verwezen naar aan hem te relateren locaties en voertuigen, de zendmastgegevens waaruit blijkt dat deze aansluiting zich herhaaldelijk in de directe omgeving van zijn woonadres bevond en synchroon liep met de verplaatsingen van een voertuig van de verdachte, alsmede de stemherkenning van voiceberichten afkomstig van de betreffende accounts, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte gebruiker was van de Sky-accounts [account 1] , [account 2] , [account 3] en [account 4] .
De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat ook de broer van de verdachte mogelijk gebruik heeft gemaakt van deze accounts wordt tegengesproken door voormelde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
Betrouwbaarheid berichtenverkeer en duiding cocaïne
De verdediging heeft aangevoerd dat de in het dossier opgenomen chatgesprekken onvolledig zijn en daarom behoedzaam moeten worden geïnterpreteerd. Volgens de verdediging kan uit deze communicatie niet worden vastgesteld dat deze betrekking had op cocaïne, mede omdat geen verdovende middelen onder de verdachte in beslag zijn genomen.
De rechtbank stelt voorop dat chatberichten als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt indien de inhoud daarvan, geplaatst in de context van de overige gegevens uit het dossier, voldoende concreet en consistent is. Dat mogelijk niet alle berichten beschikbaar zijn, maakt niet dat de in het dossier opgenomen communicatie buiten beschouwing moet blijven.
In gevallen waarin aan de inhoud van berichten een voor de verdachte belastende uitleg wordt gegeven, zal de rechtbank slechts tot die uitleg komen indien de inhoud daarvan redelijkerwijs niet voor een andere verklaring vatbaar is. Bij dat oordeel komt onder meer betekenis toe aan de aard en inhoud van de gesprekken en aan de betekenis van de daarin gebruikte bewoordingen.
Uit het dossier volgt dat via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts gedurende de ten laste gelegde periode werd gecommuniceerd over containertransporten en logistieke handelingen. In deze communicatie wordt onder meer gesproken over ‘bakken’, ‘blokken’, ‘zegels’ en ‘loodsen’, alsmede over concrete transporten, waaronder een transport met het schip [schip] en de container met nummer [nummer] , waarin later 2.374 kilogram cocaïne is aangetroffen.
Gelet op de in de communicatie gebruikte terminologie, de context van de containertransporten, de verwijzingen naar tassen tussen de lading, baknummers en containerzegels, alsmede de koppeling met een transport waarbij een container met ongeveer 2.374 kilogram cocaïne is onderschept (zie feit 2), is de rechtbank van oordeel dat de berichten betrekking hadden op cocaïne. Onder deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aard van de goederen waarop de communicatie betrekking had. Het verweer wordt verworpen.
Medeplegen feit 1
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte slechts beperkt heeft deelgenomen aan groepsgesprekken waarin over verdovende middelen werd gesproken en dat geen sprake is geweest van concrete uitvoeringshandelingen. Volgens de verdediging kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij het aanwezig hebben van cocaïne en evenmin dat sprake was van medeplegen.
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Daarvoor is nodig dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Bij de beoordeling daarvan kan onder meer betekenis toekomen aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van het feit en het belang van zijn bijdrage voor het verwezenlijken daarvan. Het enkele aanwezig zijn of het leveren van een ondergeschikte bijdrage is daarvoor onvoldoende.
Uit het berichtenverkeer via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts volgt dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode betrokken was bij communicatie over de overdracht en verplaatsing van partijen cocaïne binnen een samenwerkingsverband. In deze communicatie werden afspraken gemaakt over ontmoetingen op specifieke locaties en tijdstippen, werden adressen doorgegeven en werd afgestemd wanneer betrokkenen zich naar bepaalde locaties zouden verplaatsen. Tevens werd gesproken over het laden en verplaatsen van blokken en pakketten. Daarnaast werd gecommuniceerd over containertransporten via onder meer Antwerpen, waarbij werd gesproken over het openen van containerzegels.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen betrokken was bij het voorhanden hebben en verplaatsen van partijen cocaïne. De verdachte maakte deel uit van een samenwerkingsverband waarin in onderlinge afstemming werd gecommuniceerd over de aanwezigheid van cocaïne, het uithalen daarvan uit een loods en het laden en vervoeren van pakketten. De betrokkenheid van de verdachte beperkte zich niet tot het passief volgen van berichtenverkeer, maar bestond uit het deelnemen aan en voortbouwen op die communicatie, gericht op het beschikbaar houden en verplaatsen van de cocaïne. Daarmee had de verdachte, tezamen met zijn mededaders, feitelijke beschikkingsmacht over de betreffende partijen.
Conclusie
Gelet op de aard, duur en inhoud van deze samenwerking is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank acht daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen.
Voorbereidingshandelingen en medeplegen feit 2
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een vrachtwagen of loods zou hebben geregeld, zich naar een loods heeft begeven waar een zeecontainer zou aankomen of een container heeft geopend.
Voor strafbaarheid op grond van artikel 10a van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen) is niet vereist dat het voorgenomen Opiumwetdelict (zoals import van verdovende middelen) wordt voltooid. Voldoende is dat de verdachte zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen daarvan. Ook het uitwisselen van informatie, het maken van afspraken en het faciliteren van logistieke handelingen rondom transporten van verdovende middelen kan onder omstandigheden als zodanig worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds uiteen gezet is voor medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht.
Uit het dossier volgt dat via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts gedurende de ten laste gelegde periode in onderlinge afstemming werd gecommuniceerd over containertransporten waarin cocaïne verborgen was. Daarbij werd informatie uitgewisseld over baknummers, containerzegels, vervoersbewegingen en het gebruik van een loods in verband met het controleren en uithalen van cocaïne. Tevens blijkt uit het berichtenverkeer dat de verdachte betrokken was bij het opvangen van een container die op 13 december 2020 in de haven van Rotterdam door de douane werd gecontroleerd en waarin later ongeveer 2.374 kilogram cocaïne werd aangetroffen. De verdachte was actief betrokken bij deze communicatie. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het lokaliseren, controleren en verder vervoeren van partijen cocaïne en leveren daarom het verschaffen van inlichtingen en middelen op als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
Daarnaast is gebleken dat deze gedragingen plaatsvonden in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.
Conclusie
De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Het verweer wordt verworpen.
Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging heeft, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verzocht om de broer van de verdachte en de tegencontacten uit de aan de verdachte toegeschreven chatgroepen als getuigen te horen bij de rechter-commissaris. Volgens de verdediging is dit noodzakelijk voor de beantwoording van de identificatie van de verdachte als gebruiker van de Sky-accounts en de interpretatie van de chatgesprekken. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde het dossier te completeren en de rechtmatigheid van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden nader te kunnen toetsen.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van deze verzoeken het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdediging onvoldoende concreet gemaakt welk belang het horen van de broer van de verdachte voor enige in deze zaak te nemen beslissing zou hebben. De noodzaak tot het horen van deze getuige is daarom niet gebleken. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot het horen van de tegencontacten uit de chatgroepen. Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de verzochte getuigen te horen. Ook voor zover is verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde het dossier te completeren en de rechtmatigheid van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden nader te kunnen toetsen, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het dossier onvolledig is of dat nader onderzoek noodzakelijk is voor enige door de rechtbank te nemen beslissing. De rechtbank wijst de voorwaardelijke verzoeken daarom af.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. hij in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 23 januari 2021 te ‘s Gravenhage, in ieder geval in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met anderen,telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in de periode van 16 juni 2020 tot en met 23 februari 2021 te Rotterdam en/of ‘s-Gravenhage, in ieder geval in Nederland, en/of te België tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van- ongeveer 2.374 kilo cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;en- (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;voor te bereiden en te bevorderen,
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of- voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende verdachte en zijn mededader(s)
- contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het afleveren en/of opslaan en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne (onder meer met Sky-gebruikers [account 5] en/of [account 6] en/of [account 7] en/of [account 8] en/of [account 9] en/of in groepschat [account 10] en/of in een groepschat met [account 11] , [account 8] , [account 12] , [account 8] en [account 13] ),en- een of meer (vracht)auto('s) heeft geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of het vervoer van cocaïne, en- een of meer loods(en) heeft geregeld, ten behoeve van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van cocaïne, en- zich met een voertuig, al dan niet geschikt voor het verdere vervoer van die cocaïne, naar een loods begeven, waar een zeecontainer zou aankomen, ten einde die container op de aanwezigheid van die cocaïne te controleren en/of die cocaïne uit die zeecontainer te verwijderen,en- een zeecontainer geopend en doorzocht.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
7. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
8. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in geval van een veroordeling, een lagere straf dan de eis van de officier van justitie moet worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne en aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, vervoeren en afleveren van cocaïne. Daarbij heeft de verdachte via versleutelde communicatie deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat zich bezighield met logistieke handelingen rondom containertransporten met verdovende middelen.
In dat verband was de verdachte onder meer betrokken bij communicatie over een container waarin 2.374 kilogram cocaïne werd aangetroffen in de haven van Rotterdam. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij hiermee een bijdrage heeft geleverd aan de internationale handel in verdovende middelen.
De handel in cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en gaat gepaard met andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van deze criminaliteit.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in 2012 in Duitsland is veroordeeld ter zake van een Opiumwetdelict. De verdachte is in de afgelopen vijf jaar niet onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan onder meer blijkt uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verdachte gedurende langere tijd zijn leven op orde lijkt te hebben.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat bij betrokkenheid bij transporten van zeer grote hoeveelheden cocaïne in georganiseerd verband in beginsel langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen passend zijn, waarbij de hoogte van de straf in belangrijke mate afhankelijk is van de rol van de verdachte binnen het samenwerkingsverband.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het bijzonder acht geslagen op de rol van de verdachte binnen het samenwerkingsverband. Niet is gebleken dat de verdachte een leidinggevende of prominente positie vervulde. Anderzijds kan zijn rol niet worden aangemerkt als louter uitvoerend. Uit het dossier is gebleken dat aan de verdachte binnen het samenwerkingsverband een zekere mate van vertrouwen werd toegekend en dat hij betrokken was bij logistieke handelingen rondom grote hoeveelheden cocaïne. De rechtbank beschouwt zijn rol daarom als een rol van betekenis binnen het samenwerkingsverband, maar niet als een sturende rol.
De rechtbank houdt daarnaast in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten.
Alles afwegende acht de rechtbank, mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en de hiervoor genoemde omstandigheden, een lagere straf passend dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen en/of vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN en 6 (ZES) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.C.J. Vriend, voorzitter,
mr. G. Kuijper, rechter,
mr. T. Ketelaars, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. S.F. Schippers en F. Aksu, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2026.