RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63557
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 25 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1980].
Onrechtmatigheid van de ophouding (grondslag)
2. Eiser stelt dat de ophouding op onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden.
De ophouding is verricht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw (de identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld). Echter zou eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie een formulier M122 hebben ontvangen, waarin staat opgenomen dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie wordt overgenomen door de vreemdelingenpolitie op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Hieruit volgt dat de minister weet wie eiser is. Ook volgt uit de maatregel van bewaring dat de minister wel degelijk weet wie eiser is gelet op het feit dat de maatregel is opgelegd omdat eiser geen rechtmatig verblijf zou hebben. In het gehoor voor inbewaringstelling zijn dan ook geen vragen met betrekking tot eisers identiteit gesteld.
Naar aanleiding van dit gebrek moet een belangenafweging plaatsvinden die uitvalt in het voordeel van eiser gelet op het vrijheidsontnemende aspect.
3. De rechtbank oordeelt dat eiser is opgehouden op de juiste grondslag, namelijk artikel 50, tweede lid, van de Vw. De minister kon de identiteit van eiser immers niet vaststellen omdat eiser niet over een identiteitsdocument beschikt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de ophouding onrechtmatig te achten en komt niet toe aan een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit
4. Eiser stelt dat de minister heeft gehandeld in strijd met de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). De minister heeft immers nagelaten om hem bij de uitreiking van het bestreden besluit schriftelijk, in een taal die hij begrijpt, op de hoogte te brengen van de gronden van de bewaring, de openstaande rechtsmiddelen en het recht op rechtsbijstand. Eiser beheerst de Arabisch Marokkaanse taal. In het dossier bevinden zich informatiefolders in de Nederlandse en in de Arabische taal. Hierdoor lijkt het alsof in eerste instantie de verkeerde, Nederlandse, informatiefolder aan eiser is uitgereikt. Naar aanleiding van dit gebrek moet een belangenafweging plaatsvinden die uitvalt in het voordeel van eiser gelet op het vrijheidsontnemende aspect.
5. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier niet blijkt dat de minister de voorschriften van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb, niet in acht heeft genomen. In het dossier bevindt zich een Arabische vertaling van de informatiefolder. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten dat deze vertaling niet aan eiser zou zijn uitgereikt. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk in de Arabisch Marokkaanse taal is medegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Dit blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring van 25 december 2025. Ook is aan eiser meegedeeld dat hij recht heeft op consulaire bijstand. Verder heeft hij gebruik gemaakt van gratis rechtsbijstand en is namens hem tijdig beroep ingesteld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierin een gebrek te constateren en komt niet toe aan een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Zicht op uitzetting
8. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Marokko. Een eerder laissez-passer (lp) traject is niet geslaagd en er is dus geen lp aan eiser verstrekt. Tot op heden is geen nieuw lp-traject opgestart en is er ook geen indicatie dat bij een volgend traject wel een lp aan eiser zal worden verstrekt. Er zijn onvoldoende handelingen door de minister verricht met betrekking tot het zicht op uitzetting en de uitzetting zelf.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat de Marokkaanse autoriteiten een eerdere lp-aanvraag voor eiser hebben afgewezen op 22 augustus 2024. De identiteit en nationaliteit van eiser konden door de Marokkaanse autoriteiten niet worden vastgesteld. De minister voert daarom regelmatig vertrekgesprekken met eiser met de bedoeling om eiser te laten meewerken aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Door regelmatig vertrekgesprekken te voeren op 11 december 2025, 31 december 2025 en 8 januari 2026 werkt de minister voortvarend aan eisers uitzetting. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 mag van eiser worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank acht niet gebleken dat eiser daartoe niet in staat is. Daarbij heeft eiser geruime tijd na de opheffing van de vorige maatregel van bewaring de gelegenheid gehad om persoonlijk de Marokkaanse vertegenwoordiging te verzoeken om zijn nationaliteit te bevestigen, voordat hij opnieuw in bewaring werd gesteld. Daarom ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko is. De beroepsgrond slaagt niet.
10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
1. Vergelijk ABRvS 22 februari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV3295) en ABRvS 23 april 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3894).
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 januari 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.