ECLI:NL:RBDHA:2026:10350

ECLI:NL:RBDHA:2026:10350

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-04-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer NL24.45821
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Chavez-Vilchez, identiteit, DNA-test onnodig formalistisch, familierechtelijke relatie, zorgtaken, afhankelijkheidsrelatie, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.45821

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),

en

(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een EU-verblijfsdocument waaruit een afgeleid verblijfsrecht bij zijn Nederlandse kinderen blijkt (Chavez-verblijfsvergunning). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn identiteit en de familieband met zijn kinderen niet aannemelijk heeft gemaakt en omdat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat tussen eiser en zijn kinderen geen afhankelijkheidsverhouding bestaat. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom tussen eiser en zijn kinderen geen familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsvergunning. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van de aanvraag

3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag 1] 1989. Aan eiser, en zijn zus, is op 4 februari 2000 een van zijn moeder afhankelijk verblijfsrecht verleend. De verblijfsvergunningen van eiser, zijn zus en hun moeder zijn op 21 maart 2014 ingetrokken omdat de moeder van eiser foutieve informatie over haar identiteit zou hebben verstrekt. Er bestonden aanwijzingen dat zij niet de Somalische, maar de Djiboutiaanse nationaliteit zouden hebben. Het beroep van eiser tegen deze intrekking is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Eiser heeft vanaf dat moment zonder verblijfsrecht in Nederland verbleven. Zijn moeder zou nadien Nederland hebben verlaten. Zijn zus heeft in 2016 een vergunning gekregen omdat zij buiten haar schuld Nederland niet kan verlaten, maar eiser heeft een dergelijke aanvraag niet doorgezet.

Eiser heeft in 2016 een relatie gekregen met [persoon A], met wie hij op [geboortedag 2 (zoontje)] 2017 een zoontje kreeg, [naam kind 1]. Eisers partner overleed een jaar later. Eiser ging samen met [naam kind 1] wonen bij zijn zus en zwager. Omdat eiser [naam kind 1] op dat moment nog niet had erkend, hij nog geen gezag had en omdat hij geen verblijfsrecht had, heeft Jeugdzorg Gelderland een voogd toegewezen, maar [naam kind 1] bleef wonen bij eiser en diens zus. Op enig moment is eisers zus ook als pleegmoeder van [naam kind 1] aangemerkt.

Eiser heeft eerder een aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsvergunning voor verblijf bij [naam kind 1], maar deze aanvraag is uiteindelijk bij besluit van 20 december 2019 afgewezen. Eiser heeft geen rechtsmiddel tegen deze afwijzing aangewend.

In 2019 kreeg eiser een relatie met [persoon B] met wie hij en [naam kind 1] gingen samenwonen. Uit deze relatie werden twee kinderen geboren, [naam kind 2] met geboortedatum [geboortedag 3] 2020 en [naam kind 3], met geboortedatum [geboortedag 4] 2022.

Eiser heeft onderhavige aanvraag om een Chavez-verblijfsvergunning ingediend vanwege alle drie zijn kinderen.

De voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht

4. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold dat bij de vraag of een vreemdeling in aanmerking kwam voor een Chavez-verblijfsrecht, aan vier voorwaarden werd getoetst:

de vreemdeling moest zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk maken

de vreemdeling moest een minderjarig kind hebben dat in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit,

de vreemdeling moest al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind verrichten, en

tussen de vreemdeling en het kind moest een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaan dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Uit Informatiebericht (IB) 2025/39 volgt dat de minister sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juli 2025 nieuwe criteria hanteert bij de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht. De vreemdeling komt in aanmerking voor een Chavez-verblijfsrecht als hij:

zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;

een minderjarig, Nederlands kind heeft; én

er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd.

Uit rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat de vreemdeling die een beroep doet op het arrest Chavez-Vilchez zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig hoeft aan te tonen met documenten. Als een vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen, kan hij zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen, waaronder zijn verklaringen, aannemelijk maken. De minister moet vervolgens beoordelen of de vreemdeling daarin is geslaagd. Daarbij moet hij alle door de vreemdeling aangedragen middelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang kenbaar bezien. De minister mag in dat verband - gemotiveerd - aan de aangedragen middelen een verschillende bewijswaarde toekennen en belang hechten aan verklaringen die een vreemdeling voor het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft gegeven.

Het bestreden besluit

5. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij aan geen van de vier op dat moment geldende voorwaarden voldeed. Ten eerste stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder is volgens de minister niet gebleken van een familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde kinderen omdat de DNA-testen niet zijn verricht door een geaccrediteerd bedrijf. Ook heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijke (meer dan marginale) zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn kinderen. Tot slot werpt de minister tegen dat eisers kinderen niet van hem afhankelijk zijn en dus ook niet gedwongen zullen zijn om met hem de Unie te verlaten als eiser een verblijfsrecht zal worden onthouden. Ook neemt de minister niet aan dat tussen eiser en zijn kinderen een familie- dan wel gezinsband bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom heeft hij geen belangenafweging verricht in het kader van dat artikel.

Heeft de minister aan eiser een Chavez-verblijfsvergunning mogen onthouden?

6. De rechtbank beoordeelt hieronder het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de daarover door eiser aangevoerde gronden. Voor de leesbaarheid begint de rechtbank met het bespreken van eisers gronden over de familierechtelijke relatie met zijn kinderen en daarna over zijn gestelde identiteit. Vervolgens bespreekt de rechtbank de gronden van eiser die zich richten tegen het standpunt van de minister dat tussen eiser en zijn kinderen geen afhankelijkheidsverhouding bestaat.

De rechtbank stelt eerst vast dat uit de aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 volgt dat de voorwaarde over daadwerkelijke opvoedings- en zorgtaken niet langer als zelfstandig vereiste mag worden gehanteerd door de minister en dat een aanvraag om een Chavez-verblijfsvergunning dus ook niet mag worden afgewezen louter omdat een vreemdeling volgens de minister niet méér dan marginale zorgtaken verricht voor een minderjarig kind. De voorwaarde ‘zorgtaken’ wordt vanaf nu dus samen met alle andere relevante omstandigheden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelander en zijn minderjarige kind. De rechtbank ziet in het wijzigen van dit toetsingskader op zichzelf nog geen reden om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank volgt de minister namelijk in zijn standpunt dat de zorgtaken nooit als zelfstandige afwijzingsgrond door de minister zijn tegengeworpen, maar dat de minister in het bestreden besluit ook overwegingen heeft gewijd aan de andere relevante omstandigheden die volgens hem maken dat geen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn kinderen.

Is de familierechtelijke relatie met de kinderen voldoende aannemelijk gemaakt?

7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijk relatie met zijn kinderen niet aannemelijk is. Eiser wijst erop dat er bij de bij [naam kind 1] opvoeding betrokken instanties geen twijfel bestaat over de familierechtelijke band tussen hen. Eiser wijst op rapporten en brieven van Jeugdbescherming Gelderland, de Raad voor de Kinderbescherming en van basisschool speciaal onderwijs de [naam school] die allemaal uitgaan van eisers vaderschap. Eiser wijst er ook op dat [naam kind 1] geen moeder meer heeft en niet ook nog zijn vader kan verliezen. Hij heeft ook meer dan voldoende stukken en verklaringen overgelegd om te onderbouwen dat hij de vader van [naam kind 3] en [naam kind 2] is. Dit alles volgt ook uit het overgelegde DNA-onderzoek, dat is verricht door een gerenommeerd bedrijf.

Het betoog van eiser slaagt. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat er een familierechtelijke relatie bestaat tussen hem en zijn kinderen. De rechtbank legt aan haar oordeel het volgende ten grondslag.

Met betrekking tot [naam kind 1] blijkt uit de door eiser overgelegde producties dat hij door alle bij het gezin betrokken personen en instanties wordt beschouwd als de biologische vader van zijn kinderen. Het gaat hier om de GGD Gelderland-zuid, Jeugdbescherming Gelderland, de Raad voor de Kinderbescherming, de huisarts, de [naam school] en Entrea Lindenhout. In die officiële documenten wordt beschreven dat [naam kind 1] het kind is van eiser en [persoon A], die overleed toen [naam kind 1] 1 jaar oud was, waarna eiser alleen voor zijn opvoeding stond. Die instanties zijn al bij eiser en [naam kind 1] betrokken vanaf het overlijden van [naam kind 1] moeder en niet valt in te zien dat zij een kind bij eiser zouden laten verblijven als er redenen zouden zijn om hem niet als vader te beschouwen. Verder wordt in die stukken beschreven dat eiser en [naam kind 1] bij eisers zus zijn ingetrokken en ook wordt op enig moment bepaald dat zijn zus als pleegmoeder wordt aangesteld. Waarom dit zou gebeuren als er géén familierechtelijke relatie met [naam kind 1] zou bestaan is onduidelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat eiser dan wel zijn zus, [naam kind 1] op geregelde momenten naar zijn oma (de moeder van [persoon A]) brengen, wat ook weer onderbouwt dat [naam kind 1] het kind van eiser en [persoon A] is. Daarbij heeft eiser [naam kind 1] erkend en daarom is hij ook juridisch de vader van [naam kind 1].

Wat de minister hier tegen inbrengt is onvoldoende om de familierechtelijke relatie niet aannemelijk te achten. De minister werpt als eerste tegen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt zodat niet kan worden vastgesteld dat eiser de persoon is die is aangegeven op de erkenningsakte van [naam kind 1]. Een dergelijke tegenwerping is voorstelbaar als ten aanzien van een document onduidelijk is of de persoon aan wie het betreffende document is afgegeven of waarop het betreffende document betrekking heeft, wel dezelfde persoon is die de verblijfsrechtelijke aanvraag heeft gedaan. In dit geval wordt echter niet betwist dat eiser de persoon is die [naam kind 1] heeft erkend en dat eiser ook degene is die met [persoon A] een relatie had en die altijd is gezien als de vader van [naam kind 1]. Een eventuele onduidelijkheid over eisers identiteit doet daaraan niets af. Op het standpunt van de minister ten aanzien van de overgelegde DNA-onderzoeken gaat de rechtbank hierna nog in.

Ook met betrekking tot [naam kind 3] en [naam kind 2] volgt uit de overgelegde stukken dat volstrekt aannemelijk is dat eiser hun vader is, terwijl de minister ook hier geen redelijke grond voor twijfel naar voren brengt. Eiser heeft foto’s overlegd van de geboorte van [naam kind 3] en [naam kind 2], waaruit volgt dat hij daarbij aanwezig was. Op de overlegde geboortekaartjes worden eiser en [persoon B] als ouders genoemd, en [naam kind 1] als broertje. Zij worden ook allen genoemd in de felicitaties die zij van familie en vrienden hebben ontvangen. Verder wordt eiser als vader genoemd in het verslag van de kraamzorg na de geboorte van [naam kind 2] en blijkt daaruit dat hij bij [persoon B] woonde en voor zijn net geboren zoontje zorgde. Ook [naam kind 1] wordt hier genoemd als lid van [naam kind 2]’ familie. Verder hebben buren schriftelijk bevestigd dat eiser en [naam kind 1] al in 2019 bij [persoon B] zijn ingetrokken. Ook de andere overgelegde foto’s en de verklaringen van [persoon B] onderbouwen dat eiser daadwerkelijk de vader van [naam kind 3] en [naam kind 2] is. Eiser wijst verder op een verklaring van de kinderopvang Twins waaruit voor zover relevant blijkt dat eiser de vader is van [naam kind 2] en [naam kind 3] en hen naar de opvang brengt.

Ter verdere onderbouwing van de stelling dat hij de vader is van zijn kinderen heeft eiser nog resultaten van DNA-testen overgelegd, die dat bevestigen. De minister hecht daar echter geen waarde aan omdat de betreffende instelling niet is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie en de testen daarom niet voldoen aan de in het ‘besluit DNA-onderzoek vaderschap’ neergelegde vereisten. De rechtbank stelt voorop dat nergens in het dossier aanknopingspunten te vinden zijn die maken dat er aanleiding is tot twijfel dat eiser de vader is van zijn kinderen. Ook zonder DNA-test is daarom al voldoende aannemelijk dat eiser een familierechtelijke relatie heeft met zijn kinderen. Daarbij kan nooit worden uitgesloten dat een man ten onrechte denkt de vader te zijn van uit een relatie geboren kind, maar dat maakt niet zonder meer dat dan geen sprake meer zou zijn van een familieband. Ook in dit geval is niet duidelijk dat, als ooit zou blijken dat eiser niet de vader is van een van zijn kinderen, dat af zou doen aan het bestaan van een familieband. Het eisen van een DNA-test door een door de Raad voor Accreditatie erkend bedrijf ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn kinderen is in dit geval dus onnodig formalistisch en het ontbreken daarvan kan op zichzelf, gezien de onderbouwing die eiser in dit geval heeft gegeven, niet leiden tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat eiser de vader is van zijn kinderen.

Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (biologische) Nederlandse kinderen heeft en dat dus aan de onder b. genoemde voorwaarde wordt voldaan.

Kon de minister de twijfel over eisers identiteit tegenwerpen?

8. Eiser betoogt verder dat hij voldoende pogingen heeft ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken met behulp van de Dienst Terugkeer & Vertrek. De minister had volgens eiser moeten meewegen dat zijn zus, die in dezelfde situatie verkeerde als hij, wel via het buitenschuldtraject een verblijfsvergunning heeft gekregen.

Ook dit betoog slaagt, omdat de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij eiser in dit kader niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven en waarom het evenredig is om het identiteitsvereiste aan eiser tegen te werpen. Vast staat dat het verblijfsrecht van eiser is ingetrokken omdat de minister destijds tot de conclusie kwam dat zijn moeder valse stukken had overgelegd. De rechtbank kan de minister volgen in het betoog dat er nog altijd geen zekerheid bestaat over eisers identiteit. Eiser was echter pas 10 jaar oud toen hij naar Nederland kwam, zodat het verstrekken van verkeerde informatie buiten zijn schuld om heeft plaatsgevonden. Dit valt hem dus niet aan te rekenen. Eiser heeft aangegeven dat hij altijd in de veronderstelling verkeerde dat hij de Somalische nationaliteit had en dat hij is wie hij stelt te zijn. Daarbij komt dat de zus van eiser zich in dezelfde situatie als eiser bevond, dat zij wel via het buitenschuldtraject via de DT&V een verblijfsrecht heeft verkregen, maar dat dit bij eiser niet is gelukt omdat er, zoals blijkt uit de stukken, inconsistenties waren in de naamgeving van zijn vader. Onduidelijk blijft waarom zijn zus, die dezelfde vader had en volgens eiser ook dezelfde stukken had ingediend, desondanks wel voor een buitenschuldvergunning in aanmerking kwam. Voor het verlenen van een buitenschuldvergunning is immers onder meer vereist dat er geen redelijke twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit. Eiser heeft terecht aangevoerd dat de minister bij eiser en zijn zus over dezelfde informatie beschikt zodat het niet duidelijk is waarom ten aanzien van eiser nu wel een punt wordt gemaakt van die identiteit en bij zijn zus niet. De enkele omstandigheid dat eiser het buitenschuldtraject bij de DT&V niet heeft voortgezet is daarvoor een onvoldoende onderbouwing. Dat eiser mogelijk andere verklaringen zou hebben afgelegd is ook onvoldoende, nu eiser nog zeer jong was toen hij zijn moeder achterna reisde en ook moeilijk in te zien valt waarom bij een zus wel de herkomst van de ouders wordt aangenomen, maar bij haar broer niet, ongeacht wat zij verklaard hebben.

Daarbij heeft eiser in beroep terecht gewezen op een uitspraak van de Afdeling waaruit, kortgezegd, volgt dat als een rechtsvermoeden bestaat dat betrokkenen een biologisch kerngezin vormen, minder hoge eisen kunnen worden gesteld aan het bewijs van de identiteit. Deze uitspraak had betrekking op nareis, maar is naar de oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing bij Chavez-aanvragen. De Afdeling legde aan het oordeel namelijk ten grondslag dat enerzijds een biologisch kerngezin recht heeft op gezinshereniging, wat naar het oordeel van de rechtbank ook geldt voor het belang van een kerngezin om in het kader van een Chavez-situatie samen te mogen blijven. Daartegenover staat dat de Nederlandse staat in zijn algemeenheid belang heeft bij een hoge mate van zekerheid over de identiteit van een vreemdeling in verband met de nationale veiligheid, openbare orde, het risico op kinderontvoering of de vraag of het gezinsleven elders mogelijk is. Net als in de aangehaalde uitspraak van 26 januari 2022 is echter niet onderbouwd dat deze belangen hier in het geding zijn. Eiser was 10 jaar toen hij naar Nederland kwam zodat hij in zijn land van herkomst geen daden zal hebben verricht die hem een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid maken en die hij nu, door het fingeren van een andere identiteit, zou verbergen. Dat is echter wel de strekking van de wens om zekerheid over de identiteit van een vreemdeling te krijgen in verband met de nationale veiligheid en openbare orde. De rechtbank merkt in dat verband op dat eiser in Nederland wel misdrijven zou hebben gepleegd, maar in dat kader speelt de onduidelijkheid over zijn identiteit geen rol. Ook een gevaar voor kinderontvoering of de vraag of gezinsleven elders mogelijk is, zijn in dit geval niet aan de orde.

Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij ten aanzien van eiser tegenwerpt dat zijn identiteit niet vaststaat, terwijl hij dat ten aanzien van eisers zus (in het kader van een andere aanvraag) niet heeft gedaan. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het in dit geval redelijk en evenredig is om vanwege deze twijfel over de identiteit, de aanvraag om een Chavez-vergunning af te wijzen, gelet op de duidelijke familieband tussen eiser en zijn kinderen.

Is er tussen eiser en zijn kinderen sprake van een afhankelijkheidsverhouding?

9. Uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom aan eiser wordt tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan de eerste twee voorwaarden, te weten dat eiser zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt en dat hij een minderjarig, Nederlands kind heeft. De minister heeft ook nog tegengeworpen dat niet is voldaan aan de derde voorwaarde, te weten dat er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en de kinderen moet bestaan dat de kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als hem een verblijfsrecht wordt geweigerd. Zoals hiervoor al overwogen onder 6.1, bestond voorheen nog de aparte voorwaarde dat eiser ‘meer dan marginale zorgtaken’ moest verrichten voor zijn minderjarige kind, maar die voorwaarde wordt nu samen met alle andere relevante omstandigheden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding.

Eiser betwist dat hieraan niet zou zijn voldaan. Onder verwijzing naar de verklaring van GGD Gelderland-Zuid, een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, een overzicht van afspraken met de jeugdbeschermer van [naam kind 1], een brief van Jeugdbescherming Gelderland d.d. 3 oktober 2024, een verklaring van de [naam school] en een (concept) hulpverleningsplan van Entrea Lindenhout en meerdere foto’s betoogt hij dat hij voor [naam kind 1] meer dan marginale zorgtaken verricht. Verder is het al vanaf het overlijden van [naam kind 1] moeder, toen [naam kind 1] één jaar oud was, de bedoeling dat eiser de vaderrol volledig op zich zou nemen, maar werd dit juist belemmerd door het feit dat hij niet over een verblijfsvergunning beschikte. Uit de overgelegde rapporten volgt ook dat het wenselijk werd geacht dat hij die vergunning wel kreeg, om het mogelijk te maken de vaderrol volledig te vervullen. Met betrekking tot [naam kind 3] en [naam kind 2] betoogt eiser dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij aan de ene kant wel aanneemt dat eiser met zijn partner en kinderen samenwoont, maar waarom hij dan toch niet aanneemt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. De minister gaat volgens eiser voorbij aan alle foto’s die eiser heeft overgelegd en aan de verklaring van de moeder van [naam kind 3] en [naam kind 2]. Omdat volgens eiser sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken is tussen eiser en zijn kinderen ook sprake van een afhankelijkheidsverhouding.

Uit het arrest XU en QP volgt dat de relevante factoren om te bepalen of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen een minderjarige Unieburger en zijn ouder die derdelander is, dat de minderjarige Unieburger gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten, als de minister aan de ouder een verblijfsrecht weigert, liggen in het antwoord op de vraag wie het gezag over het kind heeft en bij welke ouder of ouders de wettelijke, financiële en/of affectieve lasten van het kind berusten. De minister zal moeten bepalen of de ouder die derdelander is, de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger draagt en of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen hen bestaat. Het gegeven dat de ouder die Unieburger is, in staat en bereid is om de daadwerkelijke zorg voor de minderjarige Unieburger alleen te dragen, is daarbij weliswaar relevant, maar volstaat niet voor de conclusie dat geen afhankelijkheidsverhouding bestaat. Ook samenwoning van de ouder die derdelander is met de minderjarige Unieburger is relevant, maar vormt geen noodzakelijk vereiste voor het aannemen van een afhankelijkheidsverhouding. Bij de beoordeling moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die derdelander is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de ouder die derdelander is, zou worden gescheiden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiser en zijn kinderen niet is gebleken van een zodanige afhankelijkheidsverhouding, dat zij gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. De rechtbank legt dit oordeel hieronder uit.

Als eerste is van belang dat in het bestreden besluit en ook in het verweerschrift bij de beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding en de rol die eiser speelt in het leven van de kinderen, meermaals van belang wordt geacht dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij de vader van de kinderen is. Zoals hiervoor overwogen volgt de rechtbank dat standpunt niet, zodat om die reden ook de motivering van het standpunt over de afhankelijkheid tekortschiet.

Verder volgt de rechtbank de minister ten aanzien van [naam kind 1] in zoverre dat uit de door eiser overgelegde stukken en de feiten uit het dossier volgt dat eiser geen gezag heeft over [naam kind 1] en dat ten tijde van het bestreden besluit maar een aantal keer per week contact was tussen eiser en [naam kind 1]. De minister heeft zich echter onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat, zoals eiser heeft aangevoerd, er altijd de behoefte heeft bestaan aan meer contact en dat de beperkingen zijn ingegeven door de verblijfsstatus van eiser terwijl eiser aan de intrekking van zijn verblijfsstatus zelf geen schuld heeft gehad. De minister moet hier nog nader op ingaan.

Met betrekking tot [naam kind 3] en [naam kind 2] stelt de rechtbank nog vast dat de minister op grond van de door eiser overgelegde bewijsstukken aanneemt dat eiser op het adres van [naam kind 3] en [naam kind 2] samenwoont met hun moeder (eisers partner). Daaruit volgt volgens de minister echter niet dat sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken of van een afhankelijkheidsverhouding omdat eiser geen juridische dan wel financiële verantwoordelijkheid voor hen zou dragen. Om die reden is ook geen sprake van een weerlegbaar vermoeden van het bestaan van een afhankelijkheidsverhouding, zoals bedoeld in het arrest XU en QP. Naar het oordeel van de rechtbank dient de minister echter nader te onderbouwen waarom de omstandigheden dat eiser de (biologische) vader van zijn kinderen is én wordt aangenomen dat zij samenwonen, nog niet maakt dat sprake is van een dergelijk weerlegbaar vermoeden van afhankelijkheid. De rechtbank merkt daarbij op dat de Afdeling in een uitspraak van 22 juli 2025 heeft overwogen dat zij het arrest XU en QP aldus begrijpt dat de minister, in het geval beide ouders met het gezag zijn belast, moet uitgaan van de veronderstelling dat zij bij duurzame samenwoning dat gezag ook daadwerkelijk samen uitoefenen en de wettelijke, affectieve en financiële lasten van de minderjarige Unieburger ook dagelijks samen dragen. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat ook het hebben van wettelijk gezag een vereiste is om het bewijsvermoeden aan te nemen, overweegt de rechtbank dat in overweging 69 van dat arrest staat: “wanneer de minderjarige Unieburger duurzaam samenwoont met zijn twee ouders en het gezag over dit kind en de wettelijke, affectieve en financiële last van dit kind dus dagelijks door deze twee ouders worden gedeeld, op weerlegbare wijze worden vermoed dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen deze minderjarige Unieburger en zijn ouder”. De rechtbank leidt hieruit af dat als de minderjarige met zijn twee ouders samenwoont, de twee ouders ‘dus’ het gezag en de wettelijke, affectieve en financiële last delen. Dit duidt erop dat voor het ontstaan van het vermoeden van afhankelijkheid slechts van belang is of eiser de vader van [naam kind 3] en [naam kind 2] is en of hij met hen samenwoont. In zoverre wijkt de situatie van eiser ook af van die in de aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025 omdat de betrokkene in die zaak noch de biologische ouder, noch de juridische ouder of stiefouder van het kind was, en ook geen gezag over hem had. Zoals hiervoor overwogen kan echter worden aangenomen dat eiser wél de biologische ouder van zijn kinderen is.

Tot slot merkt de rechtbank op dat er nog onduidelijkheid is over de huidige situatie nu de minister terecht opmerkt dat uit de verklaringen ook blijkt dat eiser enige tijd uit huis is vertrokken en dat ook [naam kind 1] is teruggekeerd naar zijn tante, eisers zus, vanwege instabiliteit in de relatie tussen eiser en [persoon B]. In het licht van alles wat hiervoor is overwogen over de relatie tussen eiser en zijn kinderen is die onduidelijkheid echter onvoldoende voor het oordeel dat geen sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser een zijn kinderen. Ook dit zal de minister nader moeten motiveren.

Artikel 8 van het EVRM

10. Uit het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de banden tussen eiser en zijn kinderen volgt dat de minister zich ook onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van het bestaan van beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn kinderen. Ook dit moet dus nader worden gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om finaal in het geschil te beslechten. Aanleiding daarvoor is dat er waarschijnlijk aanvullend onderzoek moet plaatsvinden en in ieder geval nieuwe afwegingen moeten worden gemaakt door de minister betreffende de aanvraag van eiser. De minister moet daarom een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor een termijn van zes weken na deze uitspraak.

Omdat het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de minister binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een hoogte van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand