[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Als niet is voldaan aan dit vereiste, kan het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gekregen om het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
2. Het beroepschrift van eiser bevat geen gronden. De rechtbank heeft hem op 9 april 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog de gronden van het beroep in te dienen binnen een termijn van vijf werkdagen. Op 22 april 2026 was deze herstelverzuimtermijn ruimschoots verstreken en had eiser nog steeds geen gronden ingediend.
3. In overeenstemming met artikel 2.4, vierde lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is eiser op 22 april 2026 verzocht om binnen twee werkdagen aan te geven of er een verschoonbare reden is voor het niet herstellen van het verzuim. Hierop is niet gereageerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ontbreken van beroepsgronden niet verschoonbaar is. Hierbij weegt de rechtbank mee dat niet gebleken is van gebreken in het systeem voor digitaal procederen in de periode van 9 tot en met 24 april 2026 gelet op de internetpagina ‘Archief onderhoud en storingen’ van de rechtspraak. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Met deze vaststelling kan niet worden volstaan, omdat op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak [naam] (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) moet worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat overdracht van eiser aan Duitsland in strijd zou zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling). Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in deze zaak niet gebleken.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.