RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20015
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn)
en
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 10 februari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 17 april 2024 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Franse autoriteiten hebben dit verzoek op 6 maart 2026 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024, van juni 2025, waaruit blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt vanwege een structureel tekort aan opvangcapaciteit. Hierdoor komt een aanzienlijk deel van de asielzoekers zonder opvangplek te zitten. Eiser voert daarom aan dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel en voorzienbaar risico loopt verstoken te blijven van opvang en opnieuw op straat zal belanden onder omstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daarnaast vreest eiser bij overdracht aan Frankrijk voor indirect refoulement naar Nigeria, omdat zijn verzoek om internationale bescherming in Frankrijk is afgewezen en daarbij een terugkeerbesluit is opgelegd. Vanwege zijn homoseksuele geaardheid is terugkeer naar Nigeria in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. Uit verschillende de uitspraken van de Afdeling volgt dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit deze uitspraken volgt dat er problemen zijn (geweest) met de opvangvoorzieningen in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat deze problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn dat er bij een overdracht aan Frankrijk sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. In de uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het AIDA-rapport van juni 2025 geen wezenlijk ander beeld oplevert dan volgt uit de landeninformatie die al bij de uitspraak van 30 augustus 2024 door de Afdeling is betrokken. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. In geval van voorkomende problemen in Frankrijk kan hij zich wenden tot de Franse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. De omstandigheden en ervaringen van eiser in Frankrijk heeft verweerder al beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en hoeven daarom niet opnieuw te worden beoordeeld in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Omdat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan ook de beoordeling van het gestelde risico op indirect refoulement wegens eisers homoseksuele geaardheid niet plaatsvinden binnen de kaders van een Dublinprocedure.
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van B. Biyikli, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.