RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23068
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Verweerder heeft op 22 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 29 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 7 april 2026, rechtmatig was. Daarom staat nu ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 7 april 2026 rechtmatig was.
4. Eiser voert aan dat op 21 april 2026 een besluit is genomen op zijn asielaanvraag en dat hij sindsdien in bewaring zit zonder wettelijke grondslag.
5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het dossier blijkt dat verweerder inderdaad op 21 april 2026 een besluit heeft genomen op eisers asielaanvraag. Verweerder heeft hierna maximaal 2 dagen gelegenheid om mogelijke vervolgstappen voor te bereiden, zoals het eventueel opleggen van een nieuwe maatregel. Uit het dossier blijkt dat eiser aansluitend aan de opheffing van de maatregel van bewaring strafrechtelijk is gedetineerd. Door de maatregel de maatregel binnen een dag, op 22 april 2026, op te heffen, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Er is dan ook geen sprake van een onrechtmatige voortzetting van de bewaring.
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden om het voortduren van de maatregel van de bewaring tot aan het moment van opheffing ervan op enig moment onrechtmatig te achten.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.