ECLI:NL:RBDHA:2026:1040

ECLI:NL:RBDHA:2026:1040, Rechtbank Den Haag, 12-01-2026, C/09/696517 / KG ZA 25-1268

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-01-2026
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C/09/696517 / KG ZA 25-1268
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Executiegeschil. Eiser woont in de woning die deel uitmaakt van de nalatenschap van moeder. De nalatenschap is onverdeeld gebleven. Bij verstekvonnis is eiser, op vordering van zus veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot medewerking aan verkoop en levering van de woning. De door eiser gevorderde schorsing van het verstekvonnis (ontruiming van de woning) wordt afgewezen omdat de belangen van zus bij tenuitvoerlegging van verstekvonnis zwaarder wegen dan de belangen van eiser.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/696517 / KG ZA 25-1268

Vonnis in kort geding van 12 januari 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. B.P. den Butter te Den Haag,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Damstra te Apeldoorn.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 december 2025 met producties 1 tot en met 12;

- de brief van 24 december 2025 van de zijde van [gedaagde] met daarbij de producties A en B;

- de op 29 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van [gedaagde] pleitnotities zijn overgelegd.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Mevrouw [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ), de moeder van [eiser] , [gedaagde] en [naam] (hierna: [naam] ), is op [datum] 2020 overleden. In haar testament van 6 oktober 1993 heeft [erflaatster] onder meer bepaald dat [eiser] gerechtigd is tot de helft van haar woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: het huis), en zij heeft, onder de last van dit legaat aan [eiser] , [naam] en [gedaagde] tot haar enige erfgenamen benoemd. [eiser] heeft het legaat aanvaard.

[eiser] woonde al voor het overlijden van [erflaatster] met zijn echtgenote en hun twee minderjarige kinderen in het huis. Na het overlijden van [erflaatster] is [eiser] met zijn gezin in het huis blijven wonen.

[eiser] is eigenaar van het appartement aan de [adres 2] te [plaats] (hierna: het appartement).

Na het overlijden van [erflaatster] is haar nalatenschap onverdeeld gebleven. Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde] en [naam] anderzijds, is eerst lang geprocedeerd over de geldigheid van de uiterste wilsbeschikkingen van [erflaatster] uit 2016. Nadat was vastgesteld dat het testament van [erflaatster] uit 1993 haar laatste geldige testament is, hebben partijen gesproken over de mogelijkheid voor [eiser] om het huis over te nemen door [gedaagde] en [naam] uit te kopen.

[makelaar] heeft de marktwaarde van het huis op 4 juni 2025 op € 395.000,- getaxeerd. Daarop is tussen partijen gesproken over de vraag of [eiser] voor dit bedrag het onverdeeld aandeel in de eigendom van het huis toebedeeld kan krijgen, en zo ja, wanneer het bedrag van € 197.5000,- kan worden betaald. [eiser] heeft daarop onder meer contact gehad met een notariskantoor.

[gedaagde] heeft [eiser] en [naam] gedagvaard om op 26 november 2025 in een kortgedingprocedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank te verschijnen. [eiser] en [naam] zijn in die procedure niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Bij vonnis van 3 december 2025 (zaaknummer: C/09/694143 / KG ZA 25-1092) (hierna: het verstekvonnis) heeft de voorzieningenrechter – samengevat – [eiser] en [naam] veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van het huis aan (een) derde(n), waartoe zij onder meer gehouden zijn een bemiddelingsovereenkomst met een makelaarskantoor aan te gaan, mee te werken aan het ondertekenen van een schriftelijke koopovereenkomst en mee te werken aan de levering van het huis, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser] is verder veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het huis te ontruimen en met al het zijne en de zijnen te verlaten en verlaten te houden, onder afgifte van alle sleutels aan de makelaar.

Het verstekvonnis is op 15 december 2025 aan [eiser] betekend en hem is bevel gedaan om binnen veertien dagen het huis, met alle daarin aanwezige personen, te ontruimen en te verlaten en verlaten houden. [eiser] heeft de woning niet ontruimd. Ten tijde van de kort gedingprocedure van 29 december 2025 had [eiser] nog geen verzet ingesteld tegen het verstekvonnis, maar hij heeft wel het voornemen uitgesproken om daartegen in verzet te gaan.

Op de zitting van 29 december 2025 heeft mr. Damstra namens [gedaagde] toegezegd in ieder tot de datum van 12 januari 2026 (de datum van dit vonnis) geen executiemaatregelen te zullen nemen op grond van het verstekvonnis.

3. Het geschil

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te schorsen, voor zover deze ziet op de ontruiming van het huis, totdat het door [eiser] voorgestelde, concreet en notarieel geborgde verdelingstraject is afgerond, althans in de door eiser aanhangig te maken verzetprocedure een beslissing is genomen;

II. [gedaagde] te verbieden gedurende deze schorsing executiemaatregelen te treffen, daaronder begrepen ontruiming van het huis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in strijd met dit verbod handelt, althans op straffe van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, met een eveneens door de voorzieningenrechter vast te stellen maximum;

III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

Executie van het verstekvonnis leidt ertoe dat [eiser] met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen het huis moet verlaten. Dat brengt een onomkeerbare situatie met zich, die niet ongedaan kan worden gemaakt als achteraf zou blijken dat executie in de gegeven omstandigheden disproportioneel is. Het huis is de enige gezinswoning van [eiser] met zijn gezin. De minderjarige kinderen gaan in de buurt naar school. Executie van het verstekvonnis brengt een situatie met zich die niet in redelijke verhouding staat tot het door [gedaagde] gediende belang. Aan het financiële belang van [gedaagde] bij verdeling van de nalatenschap kan op een minder ingrijpende wijze worden tegemoetgekomen dan door verkoop van het huis aan (een) derde(n).

[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

[eiser] verzet zich tegen de hem aangezegde ontruiming van het huis op grond van het verstekvonnis. Hij voert aan dat aan de belangen van [gedaagde] bij een spoedige verdeling van de nalatenschap van [erflaatster] tegemoet gekomen kan worden zonder dat een onomkeerbare ontruiming en verkoop van het huis aan (een) derde(n) nodig is. [eiser] meent dat hij de kans moet krijgen om het huis over te nemen, zodat hij daar met zijn gezin kan blijven wonen. Daarmee is het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen gegeven.

Het beoordelingskader voor de ontruiming

[eiser] verzet zich in dit kort geding op grond van artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis voor zover het gaat om de ontruiming van het huis. [gedaagde] wil dat de ontruiming wordt doorgezet.

De Hoge Raad heeft voor de beoordeling van vorderingen over de tenuitvoerlegging (ook wel: executie) van vonnissen een kader gegeven. De Hoge Raad maakt daarbij onderscheid tussen de executie van een vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, en de executie van een vonnis waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit geval sluit aan bij de executie van een vonnis waartegen nog een rechtsmiddel openstaat omdat [eiser] nog in verzet kan gaan en zijn verweer dan alsnog zal worden beoordeeld.

Uitgangspunt is dat veroordelingen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard mogen worden tenuitvoergelegd. De uitkomst van hoger beroep (of in dit geval: verzet) hoeft dan niet te worden afgewacht. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand toch zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet in beginsel worden uitgegaan van wat in het vonnis is overwogen en beslist, tenzij evident is dat daarbij een fout is gemaakt. Er mag dus niet worden vooruitgelopen op de eventuele uitkomst in hoger beroep of in verzet, en of dat anders zal uitvallen voor de veroordeelde.

In het verstekvonnis is niet uitgelegd waarom de beslissing uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard. Daarom kan niet worden aangenomen dat destijds al een afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Dat betekent dat in deze procedure over de executie nog ruimte is voor die belangenafweging.

Er is geen sprake van een juridische of feitelijke misslag

Van een duidelijke fout in het verstekvonnis is niet gebleken. [eiser] stelt dat ook niet.

Ook de belangenafweging leidt niet tot schorsing van het verstekvonnis

[eiser] heeft = geen omstandigheden aangevoerd die maken dat zijn belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde] bij executie van het verstekvonnis. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In de eerste plaats is van belang dat [eiser] eigenaar is van het appartement, dat leeg staat. Hij heeft verklaard dat het (met het oog op de verkoop) wordt verbouwd en dat die verbouwing op 5 januari 2026 klaar zal zijn. Dat betekent dat niet aannemelijk is dat [eiser] en zijn gezin op straat komen te staan als zij het huis moeten verlaten. [eiser] kan dan immers met zijn gezin intrek in het appartement nemen. Omdat het appartement praktisch bij het huis om de hoek ligt, valt niet in te zien dat een verhuizing voor de schoolgang van de kinderen van [eiser] ernstige nadelige gevolgen heeft. Ontruiming van het huis zal dan ook geen noodtoestand voor [eiser] en zijn gezin met zich brengen die behoud van de bestaande toestand rechtvaardigt.

In het verstekvonnis is beslist dat [eiser] moet meewerken aan de verkoop van het huis en dat hij het huis (dus) moet verlaten. [eiser] wil dat het huis op een andere manier wordt verdeeld, namelijk door toedeling aan hem waarbij hij zijn halfzussen hun aandeel in de (over)waarde betaalt. Hij hoopt dat alsnog te kunnen realiseren en heeft daarvoor meer tijd nodig. Zijn belang daarbij weegt echter niet zwaarder dan het belang van zijn halfzus bij spoedige ontruiming en verkoop van het huis, alleen al omdat nog helemaal niet duidelijk is dat [eiser] daadwerkelijk op korte termijn financieel in staat zal zijn om zijn halfzussen uit te kopen. Sinds mei 2024 is duidelijk dat [eiser] , om in het huis te kunnen blijven wonen, zijn halfzussen moet uitkopen. [eiser] stelt nu dat dit snel kan gebeuren maar dat heeft hij niet voldoende onderbouwd. Hij heeft wel laten zien dat hij met een (verkoop)makelaar een afspraak heeft gemaakt om het appartement te bekijken, maar het enkele voornemen om het appartement te koop te zetten is niet genoeg om aan te kunnen nemen dat hij op korte termijn in staat zal zijn om alsnog zijn halfzussen uit te kopen. De verwachte overwaarde van het appartement is volgens [eiser] immers niet genoeg om het huis te kunnen overnemen, zeker nu niets bekend is over de verdere financiële situatie, en er geen geen stukken zijn ingediend van een bank of andere geldverstrekker waaruit blijkt dat overname van het huis een reële optie is.

Het voorgaande leidt ertoe dat het de gevorderde schorsing van het verstekvonnis voor zal worden afgewezen. Het gevorderde verbod om gedurende de (gevorderde) schorsing executiemaatregelen te nemen op grond van het verstekvonnis treft daarmee hetzelfde lot en zal worden afgewezen.

In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

ddg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?