ECLI:NL:RBDHA:2026:10403

ECLI:NL:RBDHA:2026:10403

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 09-114440-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet en overtreding Wet wapens en munitie. Oplegging gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/114440-24

Datum uitspraak: 4 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.R.C. Polderman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. N.B. Genemans naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:

feit 1 voorbereidingshandelingen ter zake van de in-/uitvoer en handel in verdovende middelen, al dan niet in vereniging gepleegd, in de periode van 15 augustus 2021 tot en met 7 februari 2023;

feit 2

primair: een beroep of gewoonte maken van het zonder erkenning onderhandelen over de aankoop, verkoop en/of levering van vuurwapens, al dan niet in vereniging gepleegd, in de periode van 26 augustus 2021 tot en met 21 februari 2022;

subsidiair: voorbereidingshandelingen ter zake van het zonder erkenning verhandelen van vuurwapens, al dan niet in vereniging gepleegd, in de periode van 26 augustus 2021 tot en met 22 februari 2021.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 (primair) tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit en zich met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft onder bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Bewijsoverwegingen feit 2 (handel vuurwapens)

Handel (onderhandelen)

In de telefoon van de verdachte zijn chats uit de periode van 26 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 aangetroffen die op de handel in vuurwapens betrekking hebben. Uit de chats blijkt dat de gebruiker van de telefoon meerdere vuurwapens – een ‘Kalasj’ en ‘Glocks’ – aan een ander te koop aanbiedt en een verkoopprijs probeert af te stemmen. In het gesprek over de ‘Kalasj’ is een foto van het wapen bijgevoegd en de politie heeft op basis van de uiterlijke kenmerken van het wapen op de foto vastgesteld dat het hoogstwaarschijnlijk een echt vuurwapen (merk Ceska Zbrojovska) betreft. Daarnaast is gebleken dat de verdachte niet over een erkenning (als bedoeld in artikel 9 van de Wet wapens en munitie) beschikte om wapens te mogen verhandelen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij de gebruiker van de telefoon is geweest en dat hij in die periode meermaals als tussenpersoon bij wapenhandel heeft gefungeerd. Volgens de verdachte boden anderen hem wapens te koop aan en ging hij vervolgens op zoek naar een koper voor deze wapens. Dat was ook het geval met de Glocks en de ‘Kalasj’. Daarmee staat vast dat de verdachte heeft onderhandeld over de aankoop en verkoop van vuurwapens.

In de uitoefening van een bedrijf

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder feit 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat voor een veroordeling onder artikel 9 van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte bedrijfsmatig heeft gehandeld en uit het dossier niet kan worden afgeleid dat van bedrijfsmatig handelen van de verdachte sprake is geweest. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Sinds de wijziging van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) van 23 juni 2019 moet worden uitgegaan van een ruime interpretatie van de term ‘verhandelen’ onder artikel 9, eerste lid, WWM. Daaronder vallen sindsdien ook de activiteiten van een zogenoemde wapenmakelaar. Een wapenmakelaar is de natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens handel geheel of gedeeltelijk bestaat uit het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1693) volgt dat handelen ‘in de uitoefening van een bedrijf’ in de zin van artikel 9, eerste lid, WWM zowel door natuurlijke personen als rechtspersonen kan worden verricht. Onder ‘handelen’ vallen zowel de activiteiten van de wapenhandelaar, die wapens in bezit heeft, als de activiteiten van de wapenmakelaar, die niet zelf wapens in bezit heeft, maar slechts als tussenpersoon fungeert.

Gelet op de aard en inhoud van de chatberichten en de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als wapenmakelaar heeft gehandeld en dat dit handelen een bedrijfsmatig karakter had. In het bijzonder weegt de rechtbank hierbij mee dat de verdachte (ten aanzien van feit 1) heeft verklaard dat hij voor een langere periode in het criminele circuit verwikkeld is geweest, dat hij hierin meer omzet probeerde te draaien en dat hij een klantenkring probeerde op te bouwen. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte erop uit was om zich in het criminele milieu te vestigen en daarmee in feite een goedlopende handel wilde opzetten. Hoewel de focus van de verdachte hierbij op de handel in verdovende middelen lag, blijkt uit de chats dat ook het fungeren als wapenmakelaar een onderdeel van zijn algehele verdienmodel moest zijn. De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte ‘in de uitoefening van een bedrijf’ over de verkoop van (echte) vuurwapens heeft onderhandeld.

Beroep of gewoonte

Aan de verdachte is verder onder feit 2 (primair) de strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegd dat hij van het onderhandelen over vuurwapens een beroep of gewoonte heeft gemaakt. De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat hier geen sprake van is, omdat het dossier slechts twee chats bevat waarin de verdachte over vuurwapens heeft onderhandeld.

Hoewel de verdachte (voor zover bekend) over slechts twee vuurwapens heeft onderhandeld, blijkt uit de gesprekken dat de verdachte ervan op de hoogte was wat gangbare vraagprijzen voor de betreffende vuurwapens waren en dat de (nieuw)staat van een vuurwapen de vraagprijs sterk kan beïnvloeden. Daarnaast volgt uit zijn verklaring dat hij probeerde om een handel op te zetten. Hij was dus van plan om het vaker te doen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het beschikken over deze kennis en het vervolgens daadwerkelijk onderhandelen over de verkoop van vuurwapens volgt dat de verdachte vergaand bij het verhandelen van vuurwapens betrokken is geweest. Gelet op het bij de verdachte bestaande voornemen om zich bezig te houden met de handel in vuurwapens, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van beroepsmatig handelen.

Medeplegen

Het optreden als wapenmakelaar is naar zijn aard een delict dat in vereniging wordt gepleegd, aangezien de wapenmakelaar ten behoeve van een ander op zoek gaat naar een koper van een vuurwapen. Het contact dat de verkoper, de wapenmakelaar en de (potentiële) koper in dit kader met elkaar hebben, is onmiskenbaar gericht op het verhandelen van het vuurwapen. De rechtbank is dan ook in dit geval van oordeel dat het handelen van de verdachte als medeplegen valt aan te merken.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 (primair) ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1hij op meerdere tijdstippen in de periode van 15 augustus 2021 t/m 7 februari 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde en/of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of amfetamine, althans (telkens) een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet en/of- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of amfetamine, althans (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,(telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of(telkens) zich of één of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer anderen:- met een of meer anderen (meermalen) besprekingen gevoerd over de invoer / uitvoer en/of het vervoer van verdovende middelen en/of van grondstoffen voor het produceren van verdovende middelen, naar / van Nederland en/of het uithalen van verdovende middelen,- met een of meer anderen (meermalen) gesprekken gevoerd over de beschikbaarheid en/of prijs en/of (de wijze van) transport van verdovende middelen en/of (van) grondstoffen voor het produceren van verdovende middelen,- met een of meer anderen (meermalen) gesprekken gevoerd over de productie en/of het verwerkingsproces van verdovende middelen en(een) voorwerp(en) voorhanden gehad waarvan verdachte en/of zijn mededaders wist of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die/dat voorwerp(en) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), te weten: een of meer telefoons;

2hij in de periode van 26 augustus 2021 t/m 22 februari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander meermalen, telkens zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf heeft onderhandeld over de aankoop en verkoop van vuurwapens van de categorie II en III van de Wet wapens en munitie, te weten een machinegeweer (merk Ceska Zbrojovska) en Glocks, terwijl hij daar een beroep van heeft gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in geval van een veroordeling, aan de verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast is verzocht om de hoogte van een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot een duur die hoogstens gelijk is aan de tijd die reeds door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het voorbereiden van de handel in en de invoer van verdovende middelen. De verspreiding van en handel in harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van zware en ondermijnende criminaliteit. De grootschalige (internationale) handel in verdovende middelen heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Er gaan in deze handel grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders vaak groot zijn. Van de georganiseerde drugshandel gaat bovendien in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit, zoals het omkopen van douanebeambten of haven- of transportmedewerkers. Boven- en onderwereld raken zodoende steeds meer met elkaar verweven. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder is het algemeen bekend dat verdovende middelen een schadelijke en verslavende werking voor de gebruikers daarvan kunnen hebben.

Om de financiële belangen te beschermen wordt (extreem) geweld vaak niet geschuwd. Vrijwel alle liquidaties die in het criminele circuit worden gepleegd, zijn direct of indirect het gevolg van conflicten in de onderwereld met betrekking tot deze drugshandel. Die link met (vuurwapen)geweld kan in deze zaak ook worden gelegd, aangezien de verdachte probeerde om zich in te werken in zowel drugshandel als wapenhandel. Ook in zijn algemeenheid brengt het ongecontroleerde bezit van wapens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026, waaruit blijkt dat hij in 2018 voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden. Daarnaast is de verdachte in 2023 voor andere strafbare feiten veroordeeld, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 7 april 2026, waaruit volgt dat huisvesting van de verdachte, zijn sociale netwerk en zijn houding mogelijke risicogebieden zijn. De reclassering stelt het recidiverisico door de proceshouding van de verdachte niet te kunnen inschatten. Bij een veroordeling van de verdachte wordt geadviseerd aan hem een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op het moment wel een dak boven zijn hoofd heeft, maar nog niet over een vast woonadres beschikt. De huisvestingsproblematiek van de verdachte is voortgekomen uit een slechtlopende relatie tussen hem en zijn partner, waardoor hij zijn woonadres moest wijzigen. Inmiddels is de relatie tussen de verdachte en zijn partner verbeterd.

De rechtbank zal bij de bepaling van de straf in strafverminderende zin meewegen dat de verdachte (uiteindelijk) ter zitting openheid heeft gegeven over hoe en waarom hij bij de feiten betrokken is geraakt. Aan de andere kant is bij de rechtbank de indruk ontstaan dat de verdachte niet (veel) meer toegeeft dan de feiten waar hij op basis van het dossier niet onderuit kan, terwijl er aanwijzingen zijn dat zijn handelen verder ging dan dat.

Vergelijkbare zaken en LOVS-oriëntatiepunten

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Als uitgangspunt geldt bij de voorbereiding van het verhandelen van minimaal 20 kilogram aan harddrugs in organisatorisch verband een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal drie jaar. Uit het dossier kan worden afgeleid dat het handelen van de verdachte op een veelvoud van deze hoeveelheid betrekking heeft. Tegelijk heeft de rechtbank ter oriëntatie naar vergelijkbare zaken gekeken en daaruit kan worden afgeleid dat de precieze hoeveelheid aan verdovende middelen niet altijd doorslaggevend is voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf. Wel blijkt ook uit die zaken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren als norm geldt.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Voorlopige hechtenis

In deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst totdat door de rechtbank einduitspraak is gedaan. Met deze uitspraak zal deze schorsing dus eindigen en de voorlopige hechtenis herleven.

De rechtbank moet beslissen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis thans noodzakelijk is, of dat de voorlopige hechtenis (wederom) dient te worden geschorst. Die beslissing moet berusten op een actuele afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. In die belangenafweging kan worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).

Aan het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak ligt gevaar voor herhaling ten grondslag. De belangen van de verdachte zijn kort gezegd gelegen in de voortzetting van zijn werkzaamheden en zijn betrokkenheid bij zijn gezin. Het recidivegevaar is niet door de reclassering ingeschat. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf 25 april 2024 geschorst onder voorwaarden. De reclassering heeft in haar rapport van 7 april 2026 vermeld dat de verdachte zich aan die voorwaarden heeft gehouden. Afweging van de belangen van strafvordering tegen de belangen van de verdachte leidt de rechtbank tot het oordeel dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in dit geval thans niet noodzakelijk is. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt daarom wederom geschorst. Deze beslissing is apart geminuteerd.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp, te weten een telefoon van het merk Apple, zal worden verbeurdverklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het voorwerp aan de verdachte terug te geven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal bepalen dat de telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, nu de telefoon niet gebruikt is bij de gepleegde strafbare feiten, geen aanleiding voor verbeurdverklaring.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 10 a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I;

- 9 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 (primair):

handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en/of categorie III, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of

gewoonte maakt;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot ÉÉN (1) JAAR, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK telefoonautomaat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Kuijper, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. S.F. Schippers en F. Aksu, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G. Kuijper
  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. T. Ketelaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand