[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P.A.E. Engelen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Kan ten aanzien van Frankrijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister niet zonder meer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Daartoe voert hij aan dat ook zijn opvolgende asielaanvraag in Frankrijk is afgewezen en dat hij daarna op straat is beland. Hij is meermaals mishandeld toen hij op straat leefde in Frankrijk en is hierdoor met verwondingen in een ziekenhuis opgenomen. Hij stelt dat hij hiervan aangifte wilde doen, maar daartoe door de Franse politie niet in staat werd gesteld. Volgens eiser zijn deze verklaringen door de minister niet ongeloofwaardig geacht. Gelet hierop kan volgens eiser niet worden volgehouden dat van de Franse autoriteiten zonder meer verwacht mag worden dat zij zich houden aan de internationale afspraken. Eiser vreest dan ook na een overdracht opnieuw op straat te belanden.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de minister ten aanzien van Frankrijk in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt en dat eiser bij overdracht niet in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) zal worden behandeld. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. De minister heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser tijdens zijn asielprocedure in Frankrijk opvang heeft gehad en dat deze opvang is beëindigd na afwijzing van zijn asielaanvraag. Hieruit volgt niet dat de Franse autoriteiten zich niet aan hun verplichtingen hebben gehouden. Voor zover eiser stelt dat hij daarna op straat heeft geleefd en is mishandeld, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem. Eiser zat immers niet meer in de asielprocedure. Ook de stelling dat eiser bij terugkeer opnieuw op straat zal belanden, heeft de minister onvoldoende onderbouwd mogen achten. Met het claimakkoord hebben de Franse autoriteiten bevestigd nogmaals naar de asielwens van eiser te kijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. Hiertoe voert hij aan dat een reële kans bestaat dat hij bij overdracht aan Frankrijk opnieuw op straat zal belanden. In dat verband wijst hij erop dat zijn opvolgende asielaanvraag eerder is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen, wat door de minister niet is betwist. Volgens eiser zal de overdracht daarom leiden tot een onevenredige hardheid.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn ervaringen in Frankrijk en zijn vrees om opnieuw op straat te belanden, reeds zijn beoordeeld in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een bijzondere, individuele situatie, zo overweegt de minister niet ten onrechte. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat hij bij overdracht geen toegang zal hebben tot opvang of bescherming, noch dat zijn situatie zodanig uitzonderlijk is dat toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening is aangewezen. Dat eiser vreest dat zijn aanvraag opnieuw zal worden afgewezen en dat hij in dat geval wederom op straat belandt waar hij geen bescherming heeft, ziet dit op een toekomstig onzekere gebeurtenis. Overigens geldt in zijn algemeenheid dat eiser, als hij is uitgeprocedeerd, moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Niet is gebleken dat de Franse autoriteiten hem daarbij niet kunnen helpen. Dat eiser er zelf voor heeft gekozen om na de afwijzing van zijn (opvolgende) asielaanvraag illegaal in Frankrijk te verblijven, zelf geen huisvesting kan regelen en vreest voor zijn veiligheid en gezondheid, betekent niet dat Nederland om die reden de asielaanvraag aan zich moet trekken. Overigens heeft de minister bij zijn beslissing mogen betrekken dat eiser blijkens zijn eigen verklaringen zorg heeft gehad in het ziekenhuis en dat de politie na de mishandeling van eiser ter plaatse is geweest maar dat vanwege een gebrek aan getuigen en ander bewijs geen verder onderzoek is gedaan. Daarmee kan niet worden gezegd dat het voor eiser onmogelijk of zinloos was om bescherming van de Franse autoriteiten in te roepen en dat de Franse autoriteiten hem aan zijn lot overlaten. De minister heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar wat eerder is aangevoerd
7. Eiser heeft verzocht om wat eerder in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser in zijn gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd dat de minister hier niet of onvoldoende op heeft gereageerd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door hem nagestreefde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.