[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk. Hierbij wijst eiser op zijn eerdere ervaringen na overdracht aan Frankrijk als Dublinclaimant. Eiser heeft toen direct kenbaar gemaakt dat hij Dublinclaimant was, gelet op de rechten die daarbij zouden komen kijken die hem destijds waren verzekerd door de minister in Nederland. Echter werd eiser niet in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag in te dienen en kreeg hij ook geen opvang. Eiser leefde op straat, kon niet in zijn levensbehoeften voorzien en kreeg geen medische behandeling. Gelet op het voorgaande is eiser van mening dat ten aanzien van Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvang. Hij heeft wel hulp gevraagd aan charitatieve instellingen, maar deze konden geen hulp van betekenis bieden. Evenmin beschikte eiser over financiële middelen om zijn recht te halen bij de (hogere) Franse autoriteiten. Ook voert eiser aan dat hij in Frankrijk geen gelegenheid kreeg om een nieuwe aanvraag in te dienen, waardoor hij geen opvang kreeg. Bij een nieuwe aanvraag in Frankrijk zal bovendien van hem verwacht worden dat hij nieuwe feiten en omstandigheden moet aanvoeren. Eiser verwijst nog naar het AIDA-rapport, update 2024, pagina’s 75, 93, 94, 134 en 135.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid - voor Dublinclaimanten - ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 11 april 2025 en 31 juli 2025 bevestigd. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld schetst dan al eerder naar voren is gekomen in de rapporten. Eiser heeft zijn ervaringen als Dublinclaimant in Frankrijk niet onderbouwd en heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure of opvang in Frankrijk. Met betrekking tot de medische situatie van eiser is niet gebleken dat Frankrijk de benodigde zorg niet aan eiser kan verstrekken. Op de zitting is in dit kader besproken dat voor eiser een operatie gepland stond in Frankrijk, maar dat deze niet is doorgegaan wegens eisers vertrek naar Nederland. Daarbij volgt uit artikel 32 van de Dvo dat de minister, met toestemming van eiser, zijn medische gegevens kan delen met Frankrijk, zodat zij hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiser wordt overgedragen.
8. Verder is niet gebleken dat eiser in Frankrijk geen nieuwe aanvraag heeft kunnen indienen. De minister heeft er in dat kader op gewezen dat uit de informatie van Eurodac volgt dat eiser kennelijk op 3 januari 2025 een aanvraag in Frankrijk heeft ingediend. Dat mogelijk sprake is van een opvolgende aanvraag en eiser in dat kader nieuwe feiten en omstandigheden naar voren moet brengen, leidt ook niet tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit zou immers stroken met het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Verder hebben de Franse autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de Franse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Indien eiser in Frankrijk toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is onderbouwd dat klagen bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K., arrest Tarakhel en artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eiser doet verder een beroep op het arrest C.K., het arrest Tarakhel en artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Hiertoe wijst eiser op zijn ervaringen als Dublinclaimant in Frankrijk, kwetsbaarheid en gezondheidsproblematiek. Eiser staat in Nederland onder medische behandeling. Tien jaar geleden heeft hij een ongeluk gehad waardoor metalen pinnen in zijn lichaam zijn geplaatst. Hij wacht al een hele tijd totdat deze pinnen weer uit zijn lichaam kunnen worden verwijderd, wat eigenlijk al jaren terug had moeten gebeuren. Eiser heeft er veel last van. Deze ingreep stond eerder al in Nederland ingepland, maar is niet doorgegaan wegens de overdracht aan Frankrijk.
10. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van eisers beroep op het arrest C.K. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft voornamelijk medische informatie van een aantal jaren geleden overgelegd. Uit de meest recente informatie blijkt verder niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Dat een operatie nodig zou zijn om de metalen pinnen uit zijn lichaam te laten verwijderen is daarvoor onvoldoende. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Frankrijk van voldoende kwaliteit geacht te zijn en mag ook worden aangenomen dat deze voorzieningen ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. Het beroep op het arrest C.K. slaagt niet.
12. De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van het arrest Tarakhel. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.
13. De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Eiser heeft niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties geen afdoende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen in Frankrijk. De rechtbank wijst hierbij nogmaals op het feit dat voor eiser een operatie in Frankrijk stond gepland, maar dat deze niet door is gegaan wegens eisers vertrek naar Nederland. Het beroep op het arrest Tarakhel slaagt niet.
14. Verder heeft eiser ter zitting verklaard dat hij de volgende dag een afspraak met een arts heeft. Er zal dan worden gesproken over een operatie. Voor zover een mogelijke operatie de overdracht van eiser aan Frankrijk zou belemmeren, staat het eiser vrij om rechtsmiddelen in te stellen tegen de feitelijke overdracht. De omstandigheid van een mogelijke operatie maakt, gelet op wat hiervoor is overwogen, het hier voorliggende besluit niet onrechtmatig.
15. Ook het beroep van eiser op artikel 17, eerste lid, van de Dvo, slaagt niet. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de voorgenomen overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.