[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboorteplaats] 1988 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser verzoekt hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser behoort tot de Ahmadi-gemeenschap en heeft gewezen op verschil in toelatingsbeleid voor Ahmadi’s tussen Nederland en Frankrijk. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Aan de hand van de van de aangeleverde medische stukken had verweerder advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) moeten inwinnen om te beoordelen of overdracht aan Frankrijk leidt tot een medische noodsituatie voor eiser, op grond van artikel 4 van het Handvest en het arrest C.K.Tot slot stelt eiser dat er in Frankrijk sprake is van structurele capaciteitsproblemen in het opvangsysteem. Ter ondersteuning wordt verwezen naar het AIDA-rapport Frankrijk (update 2024).
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit betekent dat er vanuit mag worden gegaan dat Frankrijk bij de behandeling van asielzoekers zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Ten aanzien eisers stelling dat er in Frankrijk sprake is van capaciteitsproblemen ten aanzien van de opvang, overweegt de rechtbank het volgende. In het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst blijkt inderdaad dat Frankrijk te maken heeft met capaciteitsproblemen in het opvangsysteem voor Dublinclaimanten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 31 juli 2025 dit AIDA-rapport beoordeeld en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Frankrijk. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport 2024 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling.
7. Ten aanzien van de grond dat het toelatingsbeleid voor Ahmadi’s in Nederland en Frankrijk verschillend is, heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 op het standpunt kunnen stellen dat een mogelijk verschil in beschermingsbeleid van asielzoekers in Nederland en Frankrijk bij de toepassing van de Dublinverordening niet relevant is.
8. Uit WI 2021/3, onder paragraaf 5, volgt dat verweerder gehouden is om een BMA-onderzoek op te starten als de vreemdeling tijdens de Dublinprocedure een impliciet of expliciet beroep doet op het arrest C.K. of op de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, omdat er bij hem sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Als uit objectieve medische gegevens verder blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, dan dient verweerder dit risico door het BMA te laten onderzoeken. Het BMA kan vervolgens beoordelen of de vreemdeling medisch gezien in staat is om te reizen en welke reisvoorwaarden daarbij eventueel aan de orde zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de overgelegde medische stukken geen aanleiding heeft hoeven zien om een BMA-onderzoek op te starten. De stukken dateren van 2023 en 2024 en uit de stukken blijkt niet dat eiser momenteel onder behandeling staat voor zijn gestelde (hart)problemen. De stukken bevatten ook geen aanknopingspunten om te concluderen dat een overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser met zich meebrengt, zoals bedoeld in het arrest C.K.Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser in Frankrijk geen toegang zal hebben tot adequate opvang en medische zorg of dat eiser specialistische behandeling nodig heeft. Daarnaast kent Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen als Nederland en staan deze voorzieningen ook ter beschikking aan Dublinclaimanten. Verweerder stelt bovendien dat, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, de Franse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht in te lichten over de medische situatie van de eiser.9. Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, slaagt ook dit beroep niet. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.