Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/196102-20
Datum uitspraak: 4 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Kooijmans, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P.B. Spaargaren, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 25 juli 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- ( in een woning aan de [adres 2] )
opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid (van ongeveer 0,865 kilo) pillen van een materiaal bevattende XTC (MD/MA) en/of ,
- ( in de directe omgeving van een pand aan de [adres 3] ) opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid (van in totaal ongeveer 105.203 tabletten) van een materiaal bevattende XTC (MD/MA),
zijnde XTC (MD/MA) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 24 juli 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een (grote) hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende XTC (MD/MA), zijnde XTC (MD/MA) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 24 juli 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bevorderen, van een materiaal bevattende XTC (MD/MA) zijnde XTC (MD/MA) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, (onder meer) voorhanden heeft gehad
(in een pand aan de [adres 3] ):
-een tabletteermachine en/of
-186,9 gram XTC poeder en/of
-3 zakken van 20 kilo en 2 halve zakken versnijdingsmiddel en/of
-981,8 gram (XTC) pillen (met daarop de tekst Heineken of Red Bull of een afbeelding van een doodshoofd) en/of
-33 matrijshouders met in iedere houder een matrijs en/of
-een stofzuiger (met daarin een grote substantie van groen/roze poeder en verschillende tabletten in de kleuren groen, roze, oranje, paars en grijs met o.a. het logo van Heineken en Red Bull),
waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en), of ernstige reden had(den) te vermoeden, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit en subsidiair partiële vrijspraak bepleit voor feit 1 ten aanzien van het aanwezig hebben van 105.203 xtc-tabletten aan de [adres 3] en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het aanwezig hebben van de 0,865 gram xtc-pillen aan de [adres 2] . Voorts heeft de raadsman bepleit dat als het ten laste gelegde onder feit 2 en 3 bewezen wordt verklaard, de pleegperiode voor beide feiten moet worden ingekort, te weten van 11 juli 2020 tot en met 22 juli 2020 voor feit 2 en van 11 juli 2020 tot en met 24 juli 2020 voor feit 3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van de 105.203 xtc-tabletten aan de [adres 3] te Den Haag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte deze pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte beschikkingsmacht had over deze pillen.
De rechtbank stelt voorop dat in recente jurisprudentie van de Hoge Raad opnieuw uiteen is gezet dat voor bewezenverklaring van beschikkingsmacht niet vereist is dat de verdachte de drugs op dat moment feitelijk onder zich had (HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:225).
De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de verdediging wordt weerlegd door de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen en overweegt als volgt.
Getuige [getuige] heeft zich uit eigen beweging bij de politie gemeld en verklaard dat zij in de telefoon van de verdachte in de Signal-app berichten had gezien over een laatste partij van 100.000 pillen die op 25 juli 2020 gedrukt zou worden in een koelcel achterin een winkelpand gelegen aan de [adres 3] . Ook zag zij onder andere een foto van een grote vierkante machine/drukpers. Daarnaast had zij in de slaapkamerkast aan verdachtes kant een grote zak met blauwe pillen gevonden.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van getuige [getuige] gedetailleerd en concreet is en op meerdere punten steun vindt in de rest van het dossier. Op 25 juli 2020 zijn drie medeverdachten aangehouden met ruim 100.000 pillen, nadat zij deze kort daarvoor uit het pand aan de [adres 3] gehaald hadden. Verder komt met de verklaring van getuige [getuige] overeen de aard en inrichting van het pand (een winkelruimte met achtergelegen koelcel), de aanwezigheid van een drukpers in de koelcel, het feit dat in de koelcel daadwerkelijk pillen zijn geproduceerd en het aantreffen van een zak xtc-pillen in de gezamenlijk woning van getuige [getuige] en de verdachte. Verder heeft de verdachte erkend dat getuige [getuige] inderdaad in zijn telefoon heeft gekeken.
Getuige [getuige] heeft haar verklaring op een later moment telefonisch ingetrokken en daarbij verklaard dat zij boos was op de verdachte en daarom heeft overdreven dan wel heeft gelogen. De pillen uit de woning zouden toebehoren aan een vriendin van wie zij de naam niet wil noemen. De rechtbank acht deze intrekking onvoldoende concreet en niet-controleerbaar. De rechtbank acht de eerste verklaring van de getuige [getuige] betrouwbaar.
Verder bevat het dossier appgesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , waarin gebruik wordt gemaakt van versluierende taal. Uit deze gesprekken leidt de rechtbank af dat wordt gesproken over het produceren van xtc-pillen met een drukpers en dat de verdachte op meerdere momenten in juli 2020 daadwerkelijk in het pand aan het produceren was.
Uit de gebruikte bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat de verdachte nauw en structureel betrokken was bij een doorlopende productie van pillen in het pand, waarbij sprake was van een gezamenlijk geheel van handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de op 25 juli 2020 in de bestelbus aangetroffen pillen onderdeel dan wel een uitvloeisel van datzelfde productieproces. Gezien de rol van de verdachte binnen het proces en de samenhang van productieactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over de uit de bestelbus afkomstige pillen.
Alles samengenomen, stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de ruim 100.000 pillen die op 25 juli 2020 in de bestelbus zijn aangetroffen. Dat de verdachte zich op het moment van aantreffen niet in de buurt van deze pillen bevond, doet daaraan niets af. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde integraal wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3
De rechtbank heeft hierboven overwogen dat de verdachte nauw en structureel betrokken was bij een doorlopende productie van pillen in het pand, waarbij sprake was van een gezamenlijk geheel van handelingen. Het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3 wordt niet gevolgd.
Ten aanzien van de pleegperiode van feit 2
De rechtbank ziet evenals de raadsman aanleiding om ten aanzien van de ten laste gelegde periode onder feit 2 uit te gaan van een periode die start op 11 juli 2020. De eerste evident drugsgerelateerde berichten van de verdachte met medeverdachte [medeverdachte] vonden namelijk plaats op 11 juli 2020.
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de pleegperiode te laten eindigen op 22 juli 2020 in plaats van 24 juli 2020. Het laatste appje was van 22 juli 2020 en uiteindelijk wordt op 25 juli 2020 een partij van ruim 100.000 xtc-pillen aangetroffen. Het ontbreken van appjes in de periode van 23 tot en met 24 juli 2020 betekent geenszins dat de productie na 22 juli is gestaakt. Integendeel, getuige [getuige] heeft verklaard dat de laatste productie zou plaatsvinden op 25 juli 2020. De rechtbank acht daarmee een pleegperiode van 11 juli 2020 tot en met 24 juli 2020 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van de pleegperiode van feit 3
De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier niet blijkt op welk exact moment de voorbereidingshandelingen zijn begonnen. Wel volgt uit de verklaring van [naam] dat midden juli een machine op een pallet in het pand aanwezig was. In samenhang bezien met de vastgestelde productie in de periode vanaf 11 juli 2020, oordeelt de rechtbank dat de voor die productie noodzakelijke voorbereidingen al daarvoor moeten hebben plaatsgevonden. Het aanvoeren van en gereedmaken van een drukpers, het aanvoeren van grondstoffen en hulpmiddelen en het inrichten van de productielocatie vergen naar hun aard enige tijd en kunnen niet worden aangemerkt als handelingen die op een enkel moment plaatsvinden. De rechtbank stelt de pleegperiode van de voorbereidingshandelingen daarom vast op 30 juni 2020 tot en met 10 juli 2020.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 25 juli 2020 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
- in een woning aan de [adres 2]
opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 0,865 kilo pillen van een materiaal bevattende XTC (MDMA) en,
- in de directe omgeving van een pand aan de [adres 3] opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van in totaal ongeveer 105.203 tabletten van een materiaal bevattende XTC (MDMA), zijnde XTC (MDMA), (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in de periode van 11 juli 2020 tot en met 24 juli 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, een (grote) hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende XTC (MDMA), zijnde XTC (MDMA) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in de periode van 30 juni 2020 tot en met 10 juli 2020 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bevorderen, van een materiaal bevattende XTC (MDMA) zijnde XTC (MDMA) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, (onder meer) voorhanden heeft gehad
(in een pand aan de [adres 3] ):
-een tabletteermachine en
-186,9 gram XTC poeder en
-3 zakken van 20 kilo en 2 halve zakken versnijdingsmiddel en
-981,8 gram (XTC) pillen (met daarop de tekst Heineken of Red Bull of een afbeelding van een doodshoofd) en
-33 matrijshouders met in iedere houder een matrijs
waarvan verdachte en verdachtes mededader wist, dat die goederen bestemd waren tot het plegen van die feiten.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de oplegging van een gevangenisstraf te volstaan met een onvoorwaardelijk deel dat het ondergane voorarrest niet te boven gaat, al dan niet met een voorwaardelijk deel daaraan gekoppeld en/of de oplegging van een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid xtc-pillen, het produceren van een grote hoeveelheid xtc-pillen en de voorbereidingshandelingen voor het produceren van genoemde pillen. De aangetroffen hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Strafverzwarend is dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit. Het handelen van de verdachte vormt daarom een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de veiligheid in de samenleving. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en dat rekent de rechtbank hem aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte op 11 december 2025 is veroordeeld wegens mishandeling en verboden wapenbezit.
Redelijke termijn
Bij de bepaling van de hoogte van de straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd. Voor feiten als de onderhavige – waarvan de rechtbank van oordeel is dat sprake is van meerdaadse samenloop – acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en geboden. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.
In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 25 juli 2020, de dag waarop de verdachte is aangehouden. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 4 mei 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met nagenoeg vier jaren is overschreden. Dat is een forse overschrijding, zodanig dat het niet meer passend is om de verdachte terug naar de gevangenis te sturen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter zitting naar voren zijn gebracht. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding om deze in strafmatigende zin mee te wegen.
De op te leggen straf
Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (zes) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. S.N. Mentrop-Huliselan, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verhagen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2026.