[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.C. Menick),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft zich via zijn gemachtigde afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hierbij verwijst eiser naar het AIDA-rapport, update 2024, pagina’s 60, 101, 113, 95 en 27. Hieruit volgt dat Dublinterugkeerders de volledige asielprocedure opnieuw moeten doorlopen of dat hun aanvraag als een opvolgende aanvraag wordt beschouwd, de hygiëne in de opvang ontoereikend is, de toegang tot de gezondheidszorg ontoereikend is en dat de materiële voorzieningen tijdens een opvolgende asielaanvraag beperkt zijn. Deze informatie wordt ook genoemd in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 oktober 2024. In die uitspraak twijfelt de rechtbank aan de Afdelingsuitspraak over de veiligheidssituatie in Kroatië. Verder wijst eiser ook op informatie van het CPS. Het CPS vermeldt daarin dat pushbacks worden geconstateerd die vaker plaatsvinden vanuit dieper gelegen delen van Kroatië. Eiser verklaart zelf ook dat er op hem geschoten is toen hij weer terug werd gezet in het bos en verplicht werd het land te verlaten. Ook wijst eiser er op dat de opvang niet aan de bepalingen van de opvangrichtlijn voldoet en dat hij weinig vertrouwen heeft in de Kroatische autoriteiten.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraken van 9 oktober 2024 en 10 december 2024. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Het AIDA-rapport, update 2024, laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Het is niet gebleken dat de problemen in Kroatië dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Kroatië op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Voor zover eiser heeft gewezen op de uitspraak van zittingsplaats Zwolle, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De informatie die in die uitspraak wordt genoemd, is ook betrokken bij voornoemde uitspraken van de Afdeling. In de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 is daarbij ook aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinterugkeerders. Niet aannemelijk is dus dat eiser als Dublinclaimant te maken zal krijgen met pushbacks. Verder hebben de Kroatische autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen zij ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Indien eiser toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.