[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H. van Dooren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Indirect refoulement
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
5. Eiser is van mening dat de voorgenomen overdracht aan Oostenrijk leidt tot indirect refoulement. Oostenrijk hanteert een fundamenteel ander beschermingsbeleid ten aanzien van de Ahmadiyya uit Pakistan dan Nederland. Op grond van het Nederlandse beleid zou eiser in beginsel in aanmerking komen voor internationale bescherming, terwijl zijn aanvraag in Oostenrijk reeds is afgewezen op gronden die in het Nederlandse beleid niet zouden standhouden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 waarin de Afdeling een toetsingskader vaststelt voor gevallen waarin een verschil in beschermingsbeleid tussen de overdragende en de verantwoordelijke lidstaat aan de orde is. In zijn beroepsschrift licht eiser het tweeledige toetsingskader nader toe en voert uitgebreid argumenten aan – voorzien van een onderbouwing – waarom volgens hem in zijn situatie aan deze twee stappen wordt voldaan.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Eisers beroepsgrond is gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Deze uitspraak – en dus ook het daarin vastgestelde toetsingskader – heeft de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 expliciet verlaten als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023. Uit dat arrest volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken.
7. In dit geval heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) voor Oostenrijk nog bevestigd in de uitspraken van 24 oktober 2024 en 8 januari 2025 dat de minister van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Eiser is in het beroep alleen ingegaan op het gestelde risico op indirect refoulement. In het beroep zijn voor het overige geen concrete aanwijzingen naar voren gebracht die betrekking hebben op systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
8. Ook het beroep van eiser op artikel 17, eerste lid, van de Dvo, onder verwijzing naar de situatie van de Ahmadiyya in Pakistan en het verschil in beschermingsbeleid, slaagt niet. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de voorgenomen overdracht aan Oostenrijk van onevenredige hardheid getuigt
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.