RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12936
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
(gemachtigde: mr. M.L.A. Brekelmans).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond niet in stand kan blijven. De minister legt hieraan immers niet langer ten grondslag dat Tunesië een veilig land van herkomst is. De rechtbank heeft beoordeeld of zij ondanks dit gebrek in het besluit van 17 maart 2025 (bestreden besluit) zelf in de zaak kan voorzien door eisers asielaanvraag af te wijzen als ongegrond, een vertrektermijn van vier weken op te leggen en het inreisverbod op te heffen. Hiertoe ziet de rechtbank echter geen mogelijkheid, nu er ook een motiveringsgebrek kleeft aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers biseksuele gerichtheid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft de minister verzocht een schriftelijk standpunt in te nemen naar aanleiding van het arrest Alace van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 1 augustus 2025. Hierop heeft de minister op 15 april 2026 gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Als tolk was aanwezig R.B. Schmitt (tolkennummer 916).
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De minister heeft eiser op 6 april 2022 uitgenodigd voor een gehoor en medegedeeld dat zijn asielaanvraag wordt behandeld in de vereenvoudigde asielprocedure (spoor 2). In het rapport ‘gehoor veilig land van herkomst’ van 12 april 2022 is opgenomen dat eisers asielaanvraag vanwege wat hij aanvoert over zijn seksuele gerichtheid zal worden behandeld in een ander spoor en er een nader gehoor zal plaatsvinden. Dit nader gehoor heeft plaatsgevonden op 14 en 16 november 2022.
Eiser heeft bij zijn asielaanvraag gesteld dat hij van Tunesische nationaliteit is en is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser heeft verklaard dat hij biseksueel is en dat hij in Tunesië als gevolg daarvan problemen heeft ondervonden. Zo is hij in 2005 opgepakt en mishandeld door de politie wegens het verrichten van seksuele handelingen met een man ([naam]). Ook heeft er een incident met eisers familie plaatsgevonden waarbij hij door hen is vastgebonden op een stoel nadat zij foto’s en video’s op eisers telefoon aantroffen. Verder is eiser in 2014 beroofd op een parkeerplaats. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij in Tunesië gediscrimineerd werd vanwege zijn etniciteit en uiterlijk. Hij vreest dat hij hier bij terugkeer opnieuw mee te maken zal krijgen. Ook vreest eiser voor een gevangenisstraf vanwege zijn seksuele geaardheid.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
biseksuele gerichtheid;
problemen als gevolg van biseksuele gerichtheid;
discriminatie vanwege etniciteit en uiterlijk.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst alsmede de discriminatie vanwege zijn etniciteit en uiterlijk geloofwaardig. De minister gelooft echter niet dat eiser biseksueel is. De problemen als gevolg van de biseksuele gerichtheid acht de minister deels geloofwaardig. Zo wil de minister wel aannemen dat eiser is aangehouden door de politie, maar niet vanwege het hebben van seksueel contact met [naam]. De minister gelooft verder niet dat het incident met eisers familie heeft plaatsgevonden. Wel wil de minister aannemen dat eiser op de parkeerplaats in 2014 is beroofd, maar daarbij ziet hij geen connectie met eisers seksuele gerichtheid.
De minister heeft de geloofwaardig geachte asielmotieven verder getoetst. Daarover stelt hij het volgende. Dat eiser uit Tunesië komt, is onvoldoende om vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij wijst de minister op de aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst in de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De minister acht het verder niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft vanwege de eerdere mishandeling in 2005. De seksuele contacten met mannen komen niet voort vanuit een biseksuele gerichtheid. Daarom mag van eiser bij terugkeer op dit gebied terughoudendheid worden verwacht. Daarnaast vindt de minister eisers verklaringen over de discriminatie te algemeen van aard. Eiser dient zich tot de Tunesische autoriteiten te wenden indien hij van mening is dat hij vanwege de discriminatie problemen heeft ondervonden. Dit geloofwaardig geachte asielmotief leidt dan ook niet tot de conclusie dat eiser niet veilig kan terugkeren naar Tunesië.
Gelet op het voorgaande heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tevens een terugkeerbesluit opgelegd gekregen waarbij een vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Beoordeling door de rechtbank
Integrale verwijzing naar de zienswijze
4. Eiser verzoekt om wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.
De rechtbank overweegt dat deze enkele verwijzing, zonder nadere toelichting op welke concrete punten de reactie van de minister in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt waarop de rechtbank moet ingaan. Voor zover eiser in het vervolg van zijn beroepsgronden uitlegt op welke punten de reactie van de minister op de zienswijze onjuist of onvolledig is geweest, zal de rechtbank daarop in het hiernavolgende ingaan.
Is Tunesië een veilig land van herkomst?
5. Uit het eerder genoemde arrest Alace volgt dat de eerdere aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst geen stand kan houden. In dit arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat het niet toegestaan is om bepaalde groepen uit te zonderen op grond van de Procedurerichtlijn. De minister heeft naar aanleiding van dit arrest acht landen van de lijst met veilig landen van herkomst geschrapt, waaronder Tunesië. Uit IB 2025/35 volgt verder dat asielaanvragen van vreemdelingen uit Tunesië niet langer in de versnelde procedure (spoor 2) worden behandeld, maar in de algemene procedure (spoor 4).
In de brief van 15 april 2026 erkent de minister dat de eerdere aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst gelet op het arrest Alace geen stand kan houden. De minister werpt eiser artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet langer tegen, constateert dat hem ten onrechte onmiddellijk vertrek is aangezegd en trekt het aan hem opgelegde inreisverbod is. De minister verzoekt de rechtbank dan ook het beroep gegrond te verklaren, maar met instandlating van de rechtsgevolgen. In dit verband wijst de minister op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2026. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser door toepassing van de versnelde procedure de mogelijkheid is ontnomen om zijn asielrelaas adequaat en volledig naar voren te brengen of dat het besluit een andere uitkomst had kunnen hebben. Ter zitting heeft de minister verduidelijkt dat hij de rechtbank verzoekt om zelf in de zaak te voorzien door de asielaanvraag af te wijzen als ongegrond, het inreisverbod in te trekken en een vertrektermijn van vier weken op te leggen.
Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag opnieuw moet beoordelen, nu de minister niet langer artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 tegenwerpt. De rechtbank kan daarom niet zelf in de zaak voorzien, maar moet de minister opdracht geven om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag.
De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Daarbij is van belang dat de procedure van eiser niet is afgedaan in spoor 2 en dat hij na het aanmeldgehoor uitgebreid is gehoord op 14 en 16 november 2022. Tijdens dat nader gehoor heeft eiser de gelegenheid gekregen om zijn asielmotieven naar voren te brengen. De gehoormedewerker heeft actief gevraagd naar alle asielmotieven van eiser. Er is ook ruim de aandacht besteed aan de gestelde asielmotieven. Dit blijkt alleen uit het feit dat het rapport van nader gehoor uit 53 pagina’s bestaat. Daarnaast heeft eiser een medisch onderzoek gehad. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat de beoordeling van eisers asielmotieven tekort is geschoten vanwege de tegenwerping ‘veilig land van herkomst’. In dit verband heeft de minister ter zitting terecht opgemerkt dat de geloofwaardig geachte elementen in het bestreden besluit inhoudelijk zijn beoordeeld en dat daarbij niet enkel is verwezen naar de omstandigheid dat Tunesië wordt aangemerkt als een veilig land van herkomst. De rechtbank volgt de minister dan ook in zijn standpunt dat die beoordeling niet anders was geweest indien eisers asielaanvraag was afgewezen als ongegrond in plaats van kennelijk ongegrond.
De afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond ondanks de onterechte aanwijzing van Tunesië als veilig land van herkomst, leidt de rechtbank reeds tot gegrondverklaring van het beroep. Daarmee is echter, gelet op het voorgaande, niet direct uitgesloten dat er een mogelijkheid bestaat tot finale geschilbeslechting. In het navolgende zal de rechtbank dan ook ingaan op eisers beroepsgronden gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn gestelde biseksuele geaardheid. De rechtbank heeft daarbij geprobeerd het geschil zo finaal als mogelijk te beslechten.
Mocht de minister eisers gestelde biseksuele geaardheid als ongeloofwaardig beoordelen?
6. Eiser stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers biseksuele gerichtheid zijn verklaringen uit de context heeft getrokken. Ook kan hem niet worden tegengeworpen dat hij na zijn eerste gehoor informatie heeft opgezocht over biseksualiteit. In Tunesië was deze informatie immers niet beschikbaar. Ook vraagt eiser zich af wat de minister bedoelt met de zinsnede ‘nu het onderdeel uitmaakt van uw proces in uw seksuele gerichtheid’. Eiser heeft immers verklaard dat geen sprake is geweest van een innerlijke worsteling als het gaat om zijn gevoelens voor mannen. Wel worstelt hij met het duiden van die gevoelens. Eiser stelt ook dat hij wel degelijk zijn gedachten en gevoelens ten aanzien van zijn seksuele gerichtheid naar voren heeft gebracht. Dat deze verklaringen vooral toezien om het fysieke aspect, doet daar niet aan af. De minister heeft verder niet gemotiveerd waarom eiser wordt tegengeworpen dat hij niet veel kan herinneren van zijn eerste verliefdheid. Weinig mensen zouden in staat zijn om dit jaren later tot in detail te verwoorden. Tot slot wijst eiser erop dat de minister te veel waarde hecht aan de relatie met [naam]. Dit was een vakantieliefde en van eiser kan niet verwacht worden dat hij daarover diepgaande verklaringen kan afleggen.
Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele geaardheid moet de minister een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij de verklaringen van eiser over de verschillende in Werkinstructie (WI) 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang én in het licht van de overige verklaringen moet bezien. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2024. Bij de vraagstelling en de beoordeling houdt de minister rekening met de persoonlijkheid en achtergrond van een vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van opleiding, culturele achtergrond, levensfase, enzovoort.
De overweegt als volgt. De minister heeft eiser op de eerste plaats niet ten onrechte tegengeworpen dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij zeker is van zijn seksuele gerichtheid en dat eiser ontwijkend en afstandelijk verklaart over de ontdekking en acceptatie van zijn biseksualiteit. De minister heeft er in dit verband op kunnen wijzen dat tijdens het gehoor is getracht eisers seksuele gerichtheid te duiden, maar dat eisers antwoorden er eerder blijk van geven dat hij onvoldoende geïnformeerd is dan dat hij worstelt met zijn geaardheid. Zo antwoordt eiser op de vraag of hij biseksueel is: “Ja, ik weet het niet hoe of wat. Ik weet nog niet tot welke groepering ik behoor en of ik ziek ben of niet’. Op de vraag of hij wel gelooft dat hij biseksueel is, antwoordt hij: ‘Ja. Dat noem je wel zo dat je met mannen of vrouwen omgang hebt”. In deze antwoorden klinkt een aarzeling door en deze wordt versterkt door de omstandigheid dat eiser na het gehoor informatie heeft opgezocht over biseksualiteit. Dat deze informatie in Algerije niet beschikbaar zou zijn, heeft eiser niet onderbouwd en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser voorafgaand aan het gehoor op 14 november 2022 al enige tijd in Nederland verbleef. Ten aanzien van eisers verklaring dat geen sprake is geweest van een worsteling ten aanzien van zijn gevoelens voor mannen en enkel ten aanzien van de duiding van deze gevoelens, heeft de minister onder verwijzing naar WI 2019/17 kunnen stellen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn denkproces. Hoewel de minister niet als uitgangspunt hanteert dat er in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden voordat een vreemdeling zijn LHBTIQ+-gerichtheid accepteert, mag hij wel verwachten dat sprake van een zeker (denk)proces indien een vreemdeling afkomstig is uit een land waar deze seksuele gerichtheid niet wordt geaccepteerd en waar dit mogelijk strafbaar is gesteld. Het is dan immers vanzelfsprekend dat de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn dan wat de maatschappij (en de wet) verwacht en op welke wijze hij daaraan invulling wil en kan geven.
Daarnaast heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet kan uitleggen hoe hij ontdekte dat hij biseksueel is en hoe hij dit heeft ervaren. De enkele stelling van eiser dat hij wel degelijk zijn gedachten en gevoelens bij zijn seksuele gerichtheid naar voren heeft gebracht, zonder dit te concretiseren, doet daaraan niet af. Hoewel de rechtbank wel aanneemt dat het fysieke aspect relevant kan zijn voor het ontdekken van iemands geaardheid, mocht de minister wel van eiser - die vraagt om internationale bescherming wegens zijn seksuele geaardheid - verwachten dat hij over meer dan enkel het fysieke aspect kan verklaren.
Verder wijst de minister er niet ten onrechte op dat eisers verklaringen over zijn relatie met [naam] niet op een biseksuele relatie wijzen. Eiser stelt weliswaar dat de minister te veel van hem verwacht als het gaat om het verklaren over deze relatie, maar de minister wijst er in het bestreden besluit niet ten onrechte op dat de relatie met [naam] - naar eisers eigen verklaring - zijn enige relatie was met een man en dat hij gevoelens voor hem had. Daar komt bij dat de minister in het voornemen ook andere contacten dan wel relaties die eiser heeft gehad met mannen heeft betrokken. Daarover is eveneens gesteld dat eiser geen diepgaande verklaringen heeft afgelegd en dat deze enkel toezien op het fysieke en seksuele aspect.
Hoewel de minister voorgaande aspecten niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen in de geloofwaardigheidsbeoordeling, constateert de rechtbank tegelijkertijd dat de minister wel gelooft dat eiser al in Tunesië seksuele contacten heeft gehad met mannen. Zo is bij de beoordeling van de vrees vanwege het incident met de politie in het bestreden besluit verwezen naar het voornemen, waarin het volgende is overwogen: “Zoals hierboven in dit voornemen overwogen komen de seksuele contacten die u met mannen aangaat niet voort vanuit een biseksuele gerichtheid. Van u mag daarom bij terugkeer op dit gebied terughoudendheid worden verwacht”.Ook ter zitting heeft de minister erop gewezen dat de gestelde biseksualiteit van eiser niet wordt gevolgd omdat niet is gebleken dat sprake is van liefdesgevoelens, maar het seksueel contact met mannen voorkomt uit een verleden van seksueel misbruik. Daarbij ging het eiser soms om geld, maar soms ook om gevoelens van wraak, controle en macht. Hieruit volgt dus dat de minister geloofwaardig acht dat eiser seksuele contacten had met mannen en dat deze behoefte voortkomt uit wat eiser in het verleden is aangedaan door andere mannen. De rechtbank acht het standpunt van de minister inhoudende dat geloofwaardig is dat eiser seksuele contacten heeft gehad met mannen als gevolg van een trauma tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat eisers biseksualiteit ongeloofwaardig is. Daarbij is van doorslaggevend belang dat uit de verklaring van de minister ter zitting volgt dat hij niet ongeloofwaardig acht dat bij eiser sprake is van wraakgevoelens en/of gevoelens van controle en macht en hieruit voor eiser een behoefte voortvloeit voor het hebben van seksueel contact met mannen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser deze contacten niet enkel aanging omdat hij daartoe gedwongen werd of uit financiële noodzaak. De minister acht van groot belang dat de seksuele contacten met mannen niet voortvloeit uit liefdesgevoelens en dat daarom ongeloofwaardig is dat eiser biseksueel is. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich in alle redelijkheid niet op dit standpunt heeft kunnen stellen. Dit standpunt kan zelfs een terughoudende rechterlijke toets niet doorstaan. Dat de behoefte aan seksuele contacten met mannen bij eiser niet voortkomt uit liefdesgevoelens maar uit wat hij in het verleden heeft meegemaakt, leidt immers niet automatisch tot de conclusie dat hij dan dus geen biseksuele gerichtheid heeft.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zijn standpunt over eisers biseksuele geaardheid ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank komt daarom niet toe aan de overige beroepsgronden van eiser. Omdat het niet aan de rechtbank maar aan de minister is een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken, zal de minister de geloofwaardigheid van de geaardheid opnieuw moeten beoordelen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet bij deze stand van zaken geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten en zelf in de zaak te voorzien, zoals verzocht door de minister.
Vrees voor vervolging
7. De geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief ‘biseksuele gerichtheid’ werkt door in de beoordeling van eisers problemen als gevolg van zijn biseksuele gerichtheid alsmede in de beoordeling van de vrees bij terugkeer naar Tunesië. In het kader van de finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Ook al zou de minister in een nieuwe te nemen besluit het standpunt handhaven dat eisers biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, acht de minister niet ongeloofwaardig dat eiser in Tunesië seksueel contact heeft gehad met mannen en dat hij een intrinsieke behoefte hieraan heeft. De minister zal daarmee bij de beoordeling van de vrees bij terugkeer in een nieuw te nemen besluit rekening moeten houden. In dit verband wijst de rechtbank op het arrest X, Y en Z van het Hof, waaruit volgt dat bij de beoordeling van een asielverzoek de bevoegde autoriteiten redelijkerwijs niet kunnen verwachten dat de asielzoeker, ter vermijding van het risico van vervolging, in zijn land van herkomst zijn homoseksualiteit geheim houdt of zich bij de invulling van die seksuele gerichtheid terughoudend opstelt. Dit maakt dat het standpunt van de minister hierover in het voornemen, in strijd is met de Kwalificatierichtlijn.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het geconstateerde gebrek, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Ook bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na datum van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag van eiser moet nemen.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,00 bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.