RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22247
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 23 april 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 24 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 28 april 2026.
Overwegingen
1. Eiser voert aan dat het dossier geen paspoort bevat, maar stelt niet welk gevolg hieraan moet worden verbonden. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat zijn paspoort is ingenomen door de Franse politie. Verder heeft de minister medegedeeld dat op 22 april 2026 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) aan de Algerijnse autoriteiten is gezonden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Voortvarend handelen
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er is niet gebleken van enige actie richting de Algerijnse autoriteiten betreft zijn uitzetting.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 17 april 2026 is de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. Op 22 april 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd en heeft de minister – zoals hiervoor onder 1. vermeld - een lp-aanvraag aan de Algerijnse autoriteiten gezonden. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
6. Eiser stelt dat niet kan worden uitgegaan van medewerking van de Algerijnse autoriteiten aan uitzetting binnen een redelijke termijn.
7. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt en wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten niet een lp aan eiser verstrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.