Wijziging geslachtsnaam
Beschikking op het op 13 november 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsaroep te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.L. Küppers-van Duivenbooden te Breda.
Procedure
Bij beschikking van 26 januari 2026 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van de geslachtsnaamwijziging van [minderjarige] aangehouden, in afwachting van de nadere onderbouwing van de moeder en het verweer daarop van de vader. De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
De rechtbank heeft op de zitting van 12 januari 2026 met de ouders besproken dat zij de zaak schriftelijk verder zal afhandelen.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft alles wat bij de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen en beslist.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de ouders tijdens hun relatie uitdrukkelijk hebben afgesproken dat [minderjarige] een dubbele geslachtsnaam zou dragen, zodra de wet dit zou toestaan. Ondanks deze afspraak weigert de vader zijn toestemming in de zin van artikel 1:7 BW te verlenen. Daarom verzoekt de moeder op grond van artikel 1:7 BW jo. artikel 1:253a BW vervangende toestemming voor de geslachtsnaamwijziging. Volgens de moeder is de geslachtsnaamwijziging in het belang van [minderjarige] en draagt het bij aan haar persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast is zij uit haar lichaam geboren en bezit zij twee nationaliteiten, de Nederlandse en Griekse. Hierdoor krijgt [minderjarige] de invloeden van zowel de Nederlandse als de Griekse cultuur mee, is zij (ook) vaak in Griekenland en spreekt zij beide talen. Gelet op dit alles is het volgens de moeder passend dat zij ook haar geslachtsnaam draagt.
De vader betwist dat de ouders destijds hebben afgesproken dat de geslachtsnaam van [minderjarige] op een later moment zou wordem gewijzigd naar ‘ [dubbele geslachtsnaam] ’. Daarnaast is er geen sprake van een zwaarwegend belang om een dergelijke wijziging door te voeren. Zowel [minderjarige] als de mensen om haar heen zijn gewend aan haar geslachtsnaam. Volgens de vader schept het dan ook alleen maar verwarring als daar de geslachtsnaam van de moeder aan wordt toegevoegd.
De rechtbank overweegt als volgt. Als een persoon zijn geslachtsnaam wil wijzigen, of als de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarig kind wil dat de geslachtsnaam van dat kind wordt gewijzigd, dan voorziet de wet daarin op de wijze zoals is bepaald in artikel 1:7 BW. Op grond van dit artikel kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek of van zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gewijzigd door de Koning. Een verzoek daartoe dient te worden ingediend bij de dienst Justis van het ministerie van Justitie & Veiligheid. Justis beoordeelt het verzoek tot geslachtsnaamwijziging aan de hand van het Besluit Geslachtsnaamwijziging, waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder een verzoek mogelijk is. In het geval er sprake is van gezamenlijk gezag en de andere ouder wenst niet mee te werken aan de aanvraag tot een geslachtsnaamwijziging bij de dienst Justis, kan de ouder die de wijziging wenst de rechtbank wel op grond van artikel 1:253a BW vragen om hem/ haar vervangende toestemming te verlenen voor die aanvraag. De rechtbank zal in het onderhavige geval dan ook moeten beoordelen of zij het in het belang van [minderjarige] wenselijk acht dat de moeder haar verzoek tot geslachtsnaamwijziging, zonder de toestemming van de vader, aan Justis kan voorleggen.
De rechtbank is het volgende gebleken. De ouders hebben kennelijk bij de erkenning van [minderjarige] ervoor gekozen dat zij de geslachtsnaam van de vader draagt in plaats van die van de moeder. Daarmee zij de ouders uitdrukkelijk afgeweken van artikel 1:5 lid 2 BW, waarin staat dat een kind dat door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de ouders ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. De moeder stelt dat partijen destijds de afspraak hebben gemaakt dat de geslachtsnaam van [minderjarige] zal worden gewijzigd naar ‘ [dubbele geslachtsnaam] ’, op het moment dat de Wet Introductie Gecombineerde Geslachtsnaam (WIGG) in werking treedt. De vader betwist dat de ouders dit zijn overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat de moeder het bestaan van deze afspraak onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft geen enkel objectief bewijs hiervan overgelegd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de ouders gezamenlijk de keuze hebben gemaakt dat [minderjarige] (enkel) de geslachtsnaam van de vader zal dragen. Daarbij is niet gebleken dat [minderjarige] er op dit moment (een bijzonder) belang bij heeft om hier een verandering in aan te brengen, anders dan dat het de wens van de moeder is dat zij ook haar geslachtsnaam draagt.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
Beslissing
De rechtbank – met aanvulling in zoverre van de beschikking van 26 januari 2026 van deze rechtbank – :
*
wijst af het verzoek van de moeder ten aanzien van de geslachtsnaam van [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 maart 2026.