uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. In een voorlopige voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
5. Verzoeker heeft met het bezwaar en de daarbij behorende voorlopige voorziening het doel gehad om de werking van het besluit om de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier af te wijzen en een terugkeerbesluit met SIS melding op te leggen te schorsen.
6. De minister heeft de onder 5. bedoelde aanvraag van 16 augustus 2024 om een verblijfsvergunning voor verblijf bij een familie- of gezinslid afgewezen bij besluit van 13 januari 2025. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 6.1. Naast deze procedure heeft verzoeker op 28 mei 2025 een aanvraag (VVR EU) ingediend. Deze aanvraag is bij beschikking van 29 september 2025 ingewilligd, waarna verzoeker het onder 6. bedoelde bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingetrokken. Daarbij heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De inwilliging door de minister van de aanvraag van 28 mei 2025 betreft een afzonderlijke aanvraag met een ander verblijfsdoel en een ander toetsingskader, en staat los van de inhoud van het in bezwaar bestreden besluit van 13 januari 2025. Van voorlopige opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dan wel het nemen van een maatregel waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt is dan ook geen sprake. Dat verzoeker door de latere vergunningverlening geen belang meer had bij de procedure, betekent niet dat de minister aan het oorspronkelijke verzoek is tegemoetgekomen.
Er is geen sprake van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten daarom af.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.