Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699131 / KG ZA 26-134
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. A.F. Braun te Den Haag,
tegen:
[de man] te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. R.C. Post te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie;
- de op 6 maart 2026 door de zijde van de vrouw overgelegde aanvullende producties;
- de op 9 maart 2026 door de zijde van de man overgelegde aanvullende producties;
- de op 10 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. Bij de zitting was op verzoek van de voorzieningenrechter aanwezig [naam 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn op [datum] 2014 te [plaats], [land] met elkaar getrouwd. In december 2021 is het huwelijk ontbonden door echtscheiding. Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats], [g], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats], [g].
In de echtscheidingsbeschikking van 12 augustus 2021 is onder meer het volgende bepaald:
- De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
- De kinderen verblijven om het weekend bij de man van donderdag uit school tot
maandag naar school. Op niet-schooldagen brengt de vrouw de kinderen naar de
man tussen 15:00 en 15:15 uur en op maandag tussen 10:00 en 10:15 uur brengt de man de kinderen bij de vrouw terug.
- De rechtbank besliste daarnaast dat de man de kinderen videobelt op donderdag
en zondag tussen 18:00 en 18:30 in de week dat de kinderen niet bij hem zijn.
- Voor de vakantie- en feestdagen besliste de rechtbank dat de zorg als volgt wordt
verdeeld:
twee weken in de zomervakantie bij de man;
drie weken aaneengesloten bij de vrouw;
één week in de kerstvakantie bij de man;
één week in de kerstvakantie bij de vrouw;
één week in de paas/meivakantie bij de man;
voor de herfst-, voorjaars- en junivakantie:
alternerend één week in de herfst-, voorjaars- en junivakantie bij de man dan wel de vrouw conform het volgende schema:
o 2025/2026: de herfstvakantie één week bij de man, voorjaarsvakantie één week bij de vrouw en junivakantie één week bij de man;
o 2026/2027: de herfstvakantie één week bij de vrouw, voorjaarsvakantie één week bij de man en junivakantie één week bij de vrouw;
o en zo om en om;
de reguliere zorgregeling loopt door in de vakanties voor zover de rechtbank
daarover niets besliste;
op de verjaardag van de man tot de volgende ochtend zijn de kinderen bij de
man.
De kinderen hebben van 15 juli 2021 tot en met 15 april 2025 onder toezicht gestaan van Jeugdbescherming West.
Tussen partijen is een procedure tot wijziging van de zorgregeling en partneralimentatie aanhangig. Deze procedure is bekend onder nummer C/09/690794 en FA RK 25-6538.
3. Het geschil
in conventie
De vrouw vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
- de zorg- en vakantieregeling tussen de kinderen en vader te schorsen totdat de rechtbank in de lopende bodemprocedure betreffende de zorgregeling een uitspraak heeft gedaan over een passende zorgregeling;
- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om ten behoeve van de kinderen hulpverlening in te schakelen in de vorm van schoolmaatschappelijk werk;
- ten behoeve van de bodemprocedure [naam 2], althans [naam 3], althans [naam 4] te benoemen tot bijzondere curator voor de minderjarige kinderen.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Tijdens de ondertoezichtstelling bestonden onder andere zorgen over de fysieke en emotionele mishandeling door de vader van de kinderen. Er is veel hulpverlening ingeschakeld en de ondertoezichtstelling is in 2025 beëindigd. Jeugdbescherming West en de Raad voor de Kinderbescherming waren van mening dat de kinderen voldoende veilig zijn bij beide ouders. Sinds december 2025 is schoolmaatschappelijk werk betrokken bij de kinderen. Na het eerste gesprek heeft schoolmaatschappelijk werk melding gedaan bij Veilig Thuis. Er zijn zorgen over de verwaarlozing van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en beide kinderen geven aan door de vader geslagen te worden. [minderjarige 2] heeft in eerste instantie ook aangegeven door moeder geslagen te worden. Deze verklaring heeft zij later weer ingetrokken. De uitingen van de kinderen over fysiek geweld door de vader zijn sinds 2023 consistent. De vrouw meent dat de uitlatingen van de kinderen over de gedragingen van de man dermate verontrustend zijn dat de veiligheid van de kinderen niet kan worden gegarandeerd wanneer hij zorgdraagt voor de kinderen. De vrouw vordert daarom schorsing van de zorgregeling in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure. Daarnaast acht de vrouw het noodzakelijk dat een bijzondere curator de opdracht krijgt om te onderzoeken of, en zo ja, hoe het contact tussen de man en de kinderen verder vormgegeven kan worden.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De man vordert de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking van 12 augustus 2021, met ingang van heden, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat de vrouw de zorgregeling en de daarbij horende videobelregeling niet nakomt.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De vrouw staat niet toe dat de man de kinderen ziet conform de echtscheidingsbeschikking. Het is in het belang van de kinderen dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk wordt hervat. Partijen zijn samen de ouders van de kinderen en hebben het recht en de plicht om voor hen te zorgen. Er is geen sprake van zodanig zwaarwegende omstandigheden in verband met de belangen van de kinderen, dat nakoming van de zorgregeling niet van de vrouw kan worden gevergd. De kinderen zijn veilig bij de man en dit is ook meermaals door verschillende instanties bevestigd.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Nu de vorderingen over en weer samenhangen zullen die hierna gezamenlijk worden behandeld.
schoolmaatschappelijk werk
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat op de zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over het vervolg van het traject van de kinderen bij schoolmaatschappelijk werk. Op de zitting is besproken dat beide advocaten na afloop van de zitting schoolmaatschappelijk werk zullen informeren dat hierover overeenstemming is bereikt. Gelet hierop beschouwt de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw met betrekking tot vervangende toestemming voor hulpverlening via schoolmaatschappelijk werk als ingetrokken.
zorgregeling
Vast staat dat de man geen contact meer heeft met de kinderen sinds medio januari van dit jaar. De vrouw heeft de omgang toen gestaakt vanwege zorgen over het welzijn van de kinderen, mede naar aanleiding van een Veilig Thuis-melding door de school van de kinderen. De voorzieningenrechter acht het van groot belang dat de kinderen zo snel mogelijk weer prettig en veilig contact hebben met beide ouders. Op de zitting is uitvoerig met partijen gesproken over de mogelijkheden om te werken aan contactherstel tussen de man en de kinderen. In dat kader is de mogelijkheid besproken om hulpverlening in te zetten, al dan niet via de rechtbank. Op voorstel van de Raad is het traject duurzaam ouderschap na scheiding besproken en de mogelijkheid om binnen dat traject ook te werken aan contactherstel. Partijen hebben aangegeven hieraan te willen deelnemen om hun ouderschap gezamenlijk beter vorm te geven, hun communicatie te verbeteren en te streven naar zo spoedig mogelijk contactherstel tussen de man en de kinderen. Partijen hebben in dat kader ook verklaard mee te zullen werken aan het bevorderen van het contactherstel en er mee akkoord te gaan dat de regie bij de hulpverlening wordt gelegd voor wat betreft de vraag of, wanneer en op welke wijze aan contactherstel wordt gewerkt.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, hebben partijen de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject duurzaam ouderschap na scheiding. Door de Raad is op de zitting toegelicht dat dit traject ook wordt aangeboden binnen de pilot gezinsvertegenwoordiger en dat die hulpverlening snel kan starten. De voorzieningenrechter zal de ouders dan ook in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de pilot gezinsvertegenwoordiger en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De griffier zal ook dit vonnis per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De voorzieningenrechter verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals op de zitting met partijen is besproken, de eindrapportage over het verloop van het traject duurzaam ouderschap na scheiding in te dienen op de hierna vermelde wijze. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. Dit rapport zal deel uitmaken van de tussen partijen aanhangige bodemprocedure, bekend onder nummer C/09/690794 en FA RK 25-6538. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
- indien er nog geen contact is tussen de man en de kinderen: is contactherstel in het belang van de kinderen en zo ja, hoe kan het worden vormgegeven?
- welke zorgregeling tussen de man en de kinderen is het meest in het belang van de kinderen?
Dit vonnis geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Gelet op de overeenstemming ter zitting ziet de voorzieningenrechter aanleiding zowel de vordering die ziet op nakoming van de zorgregeling op straffe van een dwangsom als die tot schorsing ervan bij gebrek aan belang af te wijzen. Beide partijen zijn het er immers over eens dat de omgangsdiscussie voor zover nodig verder zal worden gevoerd via de hulpverlening en dat zij de adviezen die in dat kader zullen worden gegeven ter harte zullen nemen.
Bijzondere curator
De vrouw heeft nog verzocht een bijzondere curator te benoemen voor de kinderen. Gelet op de omstandigheid dat de kinderen reeds gesprekken voeren met schoolmaatschappelijk werk en partijen zelf aan de slag gaan met het traject duurzaam ouderschap na scheiding, ziet de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende aanleiding om een bijzondere curator te benoemen. Deze vordering van de vrouw zal derhalve worden afgewezen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
stelt vast dat partijen bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject (pilot) gezinsvertegenwoordiger en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van dit vonnis te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
- de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank vóór 1 oktober 2026 in de bodemprocedure met nummer C/09/690794 en FA RK 25-6538 rapporteert omtrent het verloop van de hulpverlening met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank in de bodemprocedure met nummer C/09/690794 en FA RK 25-6538 te rapporteren en advies uit te brengen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op
24 maart 2026.
ncg