RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21371
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1960.
Ambtshalve beoordeling van het verlengingsbesluit
2. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van eiser op 4 januari 2013 een terugkeerbesluit is genomen, welk besluit op 31 maart 2026 is aangevuld. De minister heeft zich in de zogenoemde aanbiedingsbrief aan de rechtbank van 24 april 2026 op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van de inbewaringstelling op 31 maart 2026 reeds 12 maanden op basis van dit terugkeerbesluit in bewaring is gehouden. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 5 maart 2026 in de zaak Aroja (het arrest Aroja) volgt dat alle perioden van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar moeten worden opgeteld en dat voortduring van de bewaring na het verstrijken van de oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden slechts mogelijk is na het nemen van een verlengingsbesluit.
3. In artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. Daarbij is van belang of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring niet onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Er hoeft geen aparte verzwaarde belangenafweging plaats te vinden.
4. In het bestreden besluit heeft de minister de volgende passage opgenomen:“Omdat betrokkene 180 dagen in bewaring heeft gezeten, is er een verlengingsbesluit nodig:Verlengingsbesluit:De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is”.De rechtbank begrijpt uit het standpunt van de minister in de eerdergenoemde aanbiedingsbrief dat met de zinsnede “Omdat betrokkene 180 dagen in bewaring heeft gezeten” is bedoeld aan te geven dat eiser meer dan 180 dagen in bewaring heeft gezeten.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat deze passage is aan te merken als een geldig en afdoende gemotiveerd verlengingsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat de betreffende passage voldoet aan de eisen van artikel 59, zesde lid, van de Vw. Zo vermeldt dit besluit dat voortzetting van de bewaringsduur noodzakelijk is omdat eiser niet meewerkt aan zijn verwijdering. Daarbij verwijst de minister ter motivering naar de in de maatregel van bewaring opgenomen toelichting op het risico op onderduiken en de omstandigheid dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is. De minister heeft in deze bewuste passages aan de hand van concrete voorbeelden toegelicht dat eiser zijn uitzetting frustreert en belemmert. Zo heeft de minister onder meer benoemd dat eiser sinds 1998 illegaal in Nederland is, dat aan hem op 4 januari 2013 een terugkeerbesluit is opgelegd, en dat hij niet in het bezit is van een paspoort en niets heeft ondernomen om bijvoorbeeld via zijn familie en/of zijn consulaire- of diplomatieke vertegenwoordiging een identiteitsdocument te verkrijgen. De minister heeft verder benoemd dat eiser heeft verklaard zijn paspoort kapot te hebben gemaakt zodat hij in Nederland kon blijven en dat hij eerder diverse keren heeft aangegeven terug te willen naar Algerije, maar er zijn desondanks geen gesprekken geweest met het IOM en hij is evenmin zelfstandig teruggekeerd omdat hij niet het geld en de middelen heeft om zelfstandig terug te keren. Eiser leeft al jaren op straat en volgens de minister is er geen andere mogelijkheid om het vertrek van eiser te bewerkstelligen dan door uitzetting.
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de motivering van het verlengingsbesluit mocht verwijzen naar de toelichting op de gronden van de maatregel en dat uit de feitelijke toelichting en motivering daarvan kan worden afgeleid dat aan de materiële voorwaarden voor verlenging wordt voldaan, nu daarmee voldoende kenbaar is gemaakt dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting.
6. Ten aanzien van de vraag of het verlengingsbesluit niet eerder had moeten worden genomen dan gelijktijdig met de onderhavige maatregel overweegt de rechtbank het volgende. In deze procedure ligt ter beoordeling voor of eiser in de periode van 31 maart 2026 tot en met 28 april 2026, de datum van de sluiting van het onderzoek, rechtmatig in bewaring heeft verbleven. Gelet op het bepaalde in artikel 59, zesde lid, van de Vw en het arrest Aroja kan deze maatregel, omdat eiser eerder al meer dan zes maanden in bewaring heeft verbleven uitsluitend rechtmatig zijn (en kan de daaropvolgende bewaring ook uitsluitend rechtmatig voortduren), indien voorafgaand aan of bij het opleggen van de maatregel ook een rechtmatig verlengingsbesluit is genomen. Daarbij dient de rechtbank te beoordelen of is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van voornoemde wettelijke bepaling.
7. De rechtbank ziet daarbij geen ruimte om een oordeel te geven over de vraag of het verlengingsbesluit niet éérder dan in de te beoordelen periode had moeten worden genomen. Reden daarvoor is dat in deze procedure geen andere periode ter beoordeling voorligt dan de hiervoor genoemde periode. In zoverre is in deze procedure uitsluitend relevant of voorafgaand aan of bij het opleggen van de maatregel een rechtmatig verlengingsbesluit is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, het geval.
8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit het dossier niet is gebleken dat eiser tijdens het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling op 31 maart 2026, expliciet is gehoord op het voornemen van de minister om de maatregel te verlengen. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling zijn zienswijze volledig heeft kunnen geven en dat het besluit tot inbewaringstelling en het verlengingsbesluit elkaar overlappen.
9. De minister heeft zich in de zogenoemde aanbiedingsbrief aan de rechtbank van 24 april 2026 op het standpunt gesteld dat de absolute einddatum van de onderhavige maatregel valt op 26 september 2026. De rechtbank merkt op dat, gelet op dit standpunt van de minister, de opgelegde maatregel vanaf 31 maart 2026 nog zes maanden mag voortduren. Ook indien zou worden uitgegaan van een eerste maatregel, zou 26 september 2026 op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw de einddatum zijn van een (niet verlengde) maatregel als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in een andere materiële rechtspositie komt te verkeren, ongeacht of bij de maatregel van 31 maart 2026 zou worden uitgegaan van een eerste maatregel of van een verlengde maatregel. In beide gevallen duurt de maatregel tot 26 september 2026. Dit betekent dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel is gehoord over het voornemen om hem een maatregel op te leggen, die duurt tot uiterlijk 26 september 2026. Eiser is in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze op deze voorgenomen maatregel te geven en is naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belangen geschaad doordat hij niet expliciet is gehoord over het voornemen om deze maatregel te verlengen tot uiterlijk 26 september 2026.
10. Dit leidt de rechtbank tot het (ambtshalve) oordeel dat de minister de maatregel heeft opgelegd terwijl daar een rechtsgeldig verlengingsbesluit aan ten grondslag lag.
11. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
12. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel/belangenafweging
13. Eiser heeft aangevoerd dat hij al lang genoeg vast zit en niet in staat is zelf uit Nederland te vertrekken. Hij werkt niet tegen, het maakt hem niet zo veel uit of hij in Nederland of Algerije verblijft. Hij heeft alleen de mogelijkheid niet om zelf weg te gaan.
14. Voor zover eiser hiermee heeft willen betogen dat de minister had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel dan een inbewaringstelling, overweegt de rechtbank dat eiser deze beroepsgrond niet nader heeft geconcretiseerd terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om dit betoog te volgen. De rechtbank merkt hierbij op dat de minister in de onderhavige maatregel rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser en dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel op de vraag of hij een reden kon geven waarom hij niet in vreemdelingenbewaring zou moeten worden gesteld, maar bijvoorbeeld een meldplicht opgelegd zou moeten worden, geantwoord dat hij het goed vindt om in vreemdelingenbewaring te gaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
15. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het
onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.