ECLI:NL:RBDHA:2026:10522

ECLI:NL:RBDHA:2026:10522

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-05-2026
Datum publicatie 04-05-2026
Zaaknummer NL26.23235
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – voortvarend handelen – zicht op uitzetting – lichter middel – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23235

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 30 april 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 26 maart 2026, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 26 maart 2026.

4. Eiser voert aan dat geen sprake is van een redelijke belangenafweging en ten onrechte is een lichter middel niet overwogen. Ook is geen concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en handelt verweerder niet voortvarend.

5. De rechtbank stelt vast dat uit het voortgangsrapport M120 van 27 april 2026 blijkt dat de Algerijnse autoriteiten op 18 april 2026 kenbaar hebben gemaakt dat zij de nationaliteit van eiser niet kunnen bevestigen. Anders dan eiser betoogt, betekent dit enkele bericht nog niet dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn nu is komen te ontbreken. Er kan immers nog niet daadwerkelijk worden vastgesteld dat eiser – ondanks volledige medewerking - niet zal kunnen worden uitgezet. Wat in dat verband moet worden aangemerkt als een redelijke termijn, hangt samen met de omstandigheid dat nader onderzoek moet worden gedaan naar eisers nationaliteit. Niet uitgesloten is dat binnen afzienbare termijn de nationaliteit van eiser alsnog kan worden bevestigd. Verweerder heeft in dat verband toegelicht dat nader onderzoek wordt gedaan naar eisers herkomst door middel van een taalanalyse. Deze taalanalyse heeft tot op heden niet plaats kunnen vinden, wegens ziekte van eiser. Op 6 mei 2026 zal eiser opnieuw worden uitgenodigd voor de taalanalyse. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij ook onderzoek doet naar de herkomst van eiser aan de hand van eisers belgegevens en dat maandelijks vertrekgesprekken met eiser worden gevoerd. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank tevens van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.

6. Daarnaast wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat geen sprake is van een redelijke belangenafweging en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Het eerder aangenomen risico op onttrekking is nog onverkort aanwezig. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken.

7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. W. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand