RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40691
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij sinds zijn tiende bijeenkomsten van de PTI-partij bijwoonde. Op een gegeven moment heeft hij er bewust voor gekozen om aanhanger van deze partij te worden. Hij voerde enkele taken uit tijdens de bijeenkomsten. [naam 2] , een amir van de TLP, was hier niet gelukkig mee. Jarenlang heeft hij op subtiele wijze geprobeerd om eiser ertoe te bewegen zijn politieke activiteiten te staken. Toen dit niet lukte heeft hij eiser vals beschuldigd van een misdrijf. In november 2020 vonden er rellen plaats waarbij de politie, de TLP en de PTI betrokken waren. Eiser werd ervan beschuldigd (deels) verantwoordelijk te zijn voor de dood van een aantal demonstranten. Op deze manier probeerde [naam 2] eiser achter de tralies te krijgen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Zijn politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen worden door de minister deels geloofwaardig geacht. Omdat eiser dit asielmotief niet volledig met documenten heeft onderbouwd, heeft de minister het asielmotief verder beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister komt tot de conclusie dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe wordt opgemerkt dat eiser over weinig politieke kennis beschikt en geen basiskennis heeft over het lidmaatschap van de PTI. Daarnaast verklaart hij vaag en wisselend over zijn aansluiting bij de PTI en over de politieke situatie in Pakistan. Gezien deze verklaringen wordt wel geloofwaardig geacht dat hij een politieke overtuiging heeft, maar worden de problemen niet gevolgd. Zo verklaart hij onlogisch en wisselend over [naam 2] en over de contacten met hem. Ook verklaart hij wisselend over de rechtszaak. Dat de rechtbank is omgekocht en er daarom niemand naar hem zal luisteren wordt ook niet zomaar gevolgd. Over de overgelegde stukken merkt de minister op het kopieën zijn waaruit weliswaar valt op te maken dat eiser wordt gezocht op verdenking van het gebruik van geweld tegen demonstranten maar op geen enkele wijze dat [naam 2] achter de aanklacht zit. Ten slotte werpt de minister eiser tegen dat hij legaal is uitgereisd.
Het oordeel van de rechtbank
Zelfstandig asielmotief
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte als één asielmotief zijn beschouwd. Zowel de politieke overtuiging als de daaruit voortvloeiende problemen dienen als zelfstandig asielmotief te worden beoordeeld.
De rechtbank stelt vast dat in de besluitvorming het asielmotief ‘politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende problemen’ deels geloofwaardig is geacht. Daarnaast is de politieke overtuiging onder het kopje ‘u bent geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag’ doorgetoetst en stelt de minister zich op het standpunt dat de vrees van eiser bij terugkeer vanwege zijn politieke overtuiging niet aannemelijk is. De rechtbank overweegt dat - in tegenstelling tot wat eiser betoogt - uit de besluitvorming genoegzaam volgt dat de minister zich op het standpunt stelt dat het geloofwaardig is dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar dat de politieke activiteiten die eiser heeft verricht in Pakistan en zijn gestelde problemen niet geloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dus niet, zoals eiser stelt, het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 2023 miskend. De beroepsgrond slaagt niet.
Referentiekader
6. Eiser heeft in zijn gronden aangevoerd dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Hij is op zijn eenentwintigste vertrokken uit Pakistan en gelet op zijn jonge leeftijd ten tijde van de gebeurtenissen meent hij voldoende consistent en gedetailleerd verklaard te hebben.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser in de besluitvorming. Zo heeft de minister erop mogen wijzen dat in de besluitvorming op meerdere punten wordt aangegeven dat en waarom er meer van eiser wordt verwacht. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser hoger opgeleid is en dat hij weliswaar jong was in Pakistan ten tijde van zijn gestelde problemen, maar dat hij zelf heeft verklaard dat hij op zijn zeventiende bewust heeft gekozen voor de PTI omdat hij op dat moment ‘mentaal volwassen’ was. Op de zitting heeft de minister toegevoegd dat eiser ook heeft gewerkt en getrouwd is in Pakistan. De beroepsgrond slaagt niet.Geen samenhangende en aannemelijke verklaringen over de problemen in Pakistan?
7. Vervolgens is eiser van mening dat ondeugdelijk is gemotiveerd dat hij weinig kennis heeft van de PTI. Eiser heeft voldoende verklaard en de minister heeft ten onrechte niet al zijn verklaringen betrokken in het bestreden besluit. Zo heeft hij voldoende namen van partijleden kunnen noemen en duidelijk aangegeven dat hij, vanwege zijn leeftijd en afkomst, zichzelf niet geschikt achtte voor een functie binnen de partij wat meestal de aanleiding was om lid te worden. Ook zonder lid te zijn is het echter mogelijk om de PTI actief te steunen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister gevolgd kan worden in diens standpunt dat eisers kennis over de PTI vrij basaal is. Hij kan een paar programmapunten noemen die hem aanspreken, zoals het bestrijden van corruptie en het verbeteren van het aanzien van Pakistan in het buitenland, maar niet aangeven hoe de partij dit denkt te bereiken of in welk opzicht dit de partij onderscheidt van de andere partijen. Ook weet eiser niet of lidmaatschap zonder functie bij de PTI mogelijk is. Gezien het grote aantal partijbijeenkomsten die eiser zegt te hebben bijgewoond zou van hem, indien hij, zoals hij zegt, werd gezien als een vooraanstaand aanhanger van de partij in zijn woonplaats, meer verwacht mogen worden. Ook weet eiser slechts enkele namen te noemen van mensen met een hoge positie binnen de PTI, verklaart hij niet eenduidig over wanneer de partij precies aan de macht was en weet hij niet veel van het lidmaatschap van de partij te vertellen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser stelt dat hij in het nader gehoor heeft verklaard dat hij sinds 2015 aanhanger is van de PTI, maar de partij al steunde voor 2015 en deelnam aan bijeenkomsten. Dit is niet tegenstrijdig met de verklaring in het aanvullend nader gehoor dat hij al vanaf zijn tiende of twaalfde deelnaam en op zijn zeventiende bewust koos voor de PTI. Eiser was op zijn vijftiende al aanhanger, maar nog een kind en beschouwde zichzelf op zijn zeventiende als volwassen en koos op dat moment zelfbewust voor de PTI. Deze verklaringen zijn daarom niet tegenstrijdig.
De rechtbank overweegt dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij vaag en wisselend heeft verklaard over wanneer hij zich bij de PTI heeft aangesloten. In het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij vanaf zijn vijftiende aanhanger is geworden. In het aanvullend nader gehoor geeft eiser aan dat hij vanaf zijn tiende of twaalfde deelnam aan bijeenkomsten en pas op zijn zeventiende bewust voor de PTI heeft gekozen, omdat hij op dat moment mentaal volwassen is geworden. Als de hoormedewerker hierop doorvraagt geeft eiser vage en wisselende verklaringen, namelijk dat hij niet zeker weet of hij in 2017 mentaal volwassen werd, dat hij verschillende jaartallen kan noemen vanaf wanneer hij aanhanger was zoals 2017 en 2018 of een ander jaar, dat hij het niet meer weet en dat hij geen specifieke jaartallen kan noemen. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Verder betoogt eiser dat hij niet wisselend en vaag heeft verklaard over de politieke situatie in Pakistan. Hij heeft moeite met data en dit ook herhaaldelijk aangegeven tijdens de gehoren. Maar de tijdlijn klopt wel degelijk. Bovendien heeft eiser meer verklaard over de politieke situatie dan dat de minister meeneemt in de besluitvorming.
De minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over de politieke situatie in Pakistan. Zo weet eiser niet eenduidig te verklaren over wanneer de PTI aan de macht is geweest. Eerst stelt eiser dat de PTI in 2020 aan de macht kwam, later zou dit in 2017 zijn geweest. Als eiser daarmee wordt geconfronteerd, weet hij niet meer wanneer de PTI aan de macht is gekomen. Verder weet eiser over de twee eerder regerende partijen alleen te verklaren dat ze corrupt zijn. Dat eiser in de zienswijze heeft uitgelegd dat de PTI in 2017 opkwam, in 2018 in de landelijke regering kwam en de deelname daaraan in 2022 is beëindigd, maakt dit niet anders. Deze verklaringen komen namelijk niet overeen met de verklaringen van eiser in zijn gehoren. Dat eiser moeite zou hebben met data, hetgeen niet is onderbouwd, maakt nog niet dat eiser hierover niet eenduidig zou kunnen verklaren. Dat eiser ook heeft verklaard dat de PTI de tweede grootste partij is, de TLP de vierde grootste partij en over een protestactie van de TLP heeft verklaard, maakt dit niet anders. Gelet op de gestelde betrokkenheid van eiser bij de PTI in Pakistan, mag van eiser verwacht worden dat hij eenduidig kan verklaren over wanneer de PTI aan de macht is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Verder heeft de minister volgens eiser ten onrechte aangegeven dat hij onlogisch en wisselend heeft verklaard over [naam 2] . Hij heeft duidelijk beschreven hoe de irritaties bij [naam 2] ontstonden toen zij beiden stemmen probeerden te werven voor hun partijen. [naam 2] heeft zelfs eisers ouders benaderd om eiser van zijn activiteiten af te laten zien. Dat [naam 2] zijn aandacht op eiser richtte is niet onlogisch. [naam 2] kende eiser uit het dorp, wist dat hij actief de PTI steunde, stemmen aan het werven was en bovendien bijeenkomsten bij hem thuis organiseerde waarbij hij gastheer was. Dat is dan ook de reden dat [naam 2] zijn pijlen op hem richtte. Omdat alle in het verzoekschrift aangeklaagden PTI-aanhangers zijn, is het duidelijk dat de verzoeker in de TLP-hoek gezocht moet worden.
Ook dit standpunt van eiser volgt de rechtbank niet omdat, zoals de minister niet ten onrechte stelt, de verklaringen van eiser niet duidelijk maken waarom deze amir, een man met aanzien in de gemeenschap en een drukke en belangrijke functie binnen de TLP, zich uitgerekend op eiser richt terwijl deze geen lid is van de PTI en geen functie binnen de partij bekleedt. Daarnaast heeft de minister mogen tegenwerpen dat het bevreemdt dat [naam 2] eiser zo gevaarlijk vond en als dusdanige bedreiging zag dat hij zich genoodzaakt voelde een valse rechtszaak tegen eiser aan te spannen, terwijl eiser bescheiden activiteiten verrichte voor de PTI en geen functie binnen de partij bekleedt. Hoewel uit het algemeen ambtsbericht over Pakistan van september 2022 volgt dat corruptie van individuele overheidsambtenaren in alle lagen van de overheid voorkomt en veel lagere gerechtshoven corrupt, inefficiënt en gevoelig zijn voor druk van rijke personen en invloedrijke religieuze of politieke figuren, verwacht de minister niet ten onrechte van eiser dat hij eerst aannemelijk maakt dat [naam 2] een reden had voor het doen van een valse aangifte. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Voorts meent eiser niet wisselend en onlogisch te hebben verklaard over de rechtszaak. Er zijn meerdere mensen aangeklaagd en hij heeft duidelijk verklaard dat twee van hen vrienden zijn en dat hij de overige aangeklaagden niet kent. Daarbij heeft de minister de documenten niet terzijde mogen schuiven omdat het kopieën zijn. Ook heeft eiser gewezen op de corruptie in Pakistan en hetgeen daarover in de ambtsberichten wordt vermeld. Eisers relaas is in lijn met deze informatie. De minister heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet gevolgd wordt dat er een rechtszaak is aangespannen op basis van een valse beschuldiging.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet geloofwaardig hoeven achten dat eiser in Pakistan aangeklaagd is voor het doodschieten van mensen bij een demonstratie en dat er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Het door eiser overgelegde arrestatiebevel is een kopie en kan daarom niet onderzocht worden op echtheid. De minister heeft het echter - in tegenstelling tot wat eiser betoogt - wel bij zijn beoordeling betrokken, maar niet ten onrechte geconstateerd dat het zoveel vragen oproept dat het eisers relaas niet geloofwaardig maakt. In de eerste plaats heeft eiser hier wisselend over verklaard. Zo geeft hij eerst aan dat de genoemde verdachten mensen uit een nabijgelegen dorp zijn, terwijl het later gaat om goede vrienden. Uit de door eiser overgelegde stukken volgt daarnaast niet dat [naam 2] achter de, volgens eiser, valse beschuldiging zit. Bovendien bevond eiser zich op dat moment in Gujranwala en lijkt dus een alibi te hebben.
Ook in de door eiser in beroep overgelegde verklaringen heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om het asielrelaas geloofwaardig te achten. De minister heeft erop mogen wijzen dat de twee verklaringen afkomstig zijn van vrienden en zijn opgesteld op verzoek van eiser. Daar komt bij dat de verklaringen vrijwel identiek zijn en alleen een handgeschreven handtekening bevatten. Dit betekent dat aan deze documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan graag gehecht wil zien. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de minister ten onrechte stelt dat hij zonder problemen legaal heeft kunnen uitreizen. Uitreizen was alleen mogelijk via een reisagent die op de luchthaven mensen heeft omgekocht.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt heeft mogen innemen dat, omdat eiser stelt dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor het doodschieten van meerdere mensen en er als gevolg daarvan een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd, het feit dat hij legaal met een paspoort en visum heeft kunnen uitreizen, ook al was dat met een reisagent, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.