RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.16608
[v nummer]
geboren op [geboortedag] 2010, van Grenadaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 11 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
Op 1 april 2025 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft verzoeker op 8 april 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn bezwaar is beslist.
Verzoeker is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op 2 december 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat er een beslissing is genomen op zijn bezwaar.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet verweerder aan verzoeker een proceskostenvergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden om verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoeker moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.