RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/692190 / JE RK 25-1675
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum uit 's-Gravenhage,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. D. Boudrad uit Gilze,
en
[de stiefmoeder] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 6 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 mei 2026 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
De kinderrechter heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
de brief van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 10 maart 2026;
het bericht van de moeder met bijlagen van 24 maart 2026.
Op 25 maart 2026 heeft een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het onderhavige verzoek als het verzoek van de moeder ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (C/09/696554 / FA RK 25-9705). Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de stiefmoeder;
[naam] namens de gecertificeerde instelling.
Op het verzoek van de moeder wordt bij afzonderlijke beschikking beslist.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor resterende de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] lijkt zich nog steeds in een loyaliteitsconflict te bevinden. Hij heeft een zeer gekleurd beeld van zijn ouders en is volledig op de hoogte van alle volwassenzaken. Het is opvallend dat [minderjarige] blijft aangeven dat hij bij zijn vader wil wonen, maar er zijn geen dusdanige zorgen geconstateerd over de thuissituatie bij de moeder dat de gecertificeerde instelling aanleiding ziet om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. Het lijkt erop dat hij vanuit zijn loyaliteitsconflict is gaan kiezen voor één ouder.
De afgelopen periode is ingezet op het traject Parallel Solo Ouderschap vanuit [instantie] . Volgens [instantie] is het opstellen van een ouderschapsplan noodzakelijk en tegelijkertijd het hoogst haalbare voor de ouders. Gelet op het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders zou het wenselijk zijn om dit ouderschapsplan te laten bekrachtigen door de rechtbank. Er is geprobeerd om met de ouders gezamenlijk in gesprek te gaan, maar dat bleek niet mogelijk. Parallel Solo Ouderschap zou patroon-doorbrekend kunnen zijn als beide ouders zich hiervoor zouden inzetten en bereid zouden zijn om naar hun eigen aandeel te kijken. Het is de vraag of de ouders hiertoe in staat zijn. Zij lijken allebei een tunnelvisie te hebben, waarbij zij denken het beste te doen voor [minderjarige] , maar zijn belang uit het oog te verliezen. Gelet op de strijd tussen de ouders zou het alleen maar belastend zijn om [minderjarige] te betrekken bij het traject Parallel Solo Ouderschap.
Er wordt wel individuele hulpverlening voor [minderjarige] ingezet. Hij is recent gestart met deelname aan een trainingsgroep voor emotieregulatie-problematiek. [instantie] zal hem hierbij observeren om te beoordelen of er meer hulpverlening voor hem nodig is. Daarnaast is ambulante daghulp aangevraagd om [minderjarige] te ondersteunen bij zijn schoolse vaardigheden. Het is de bedoeling dat deze hulpverlening zowel op school als in de thuissituatie bij de ouders wordt ingezet. De moeder heeft echter aangegeven dat zij niet wil meewerken aan hulpverlening bij haar thuis. De gecertificeerde instelling overweegt daarom een schriftelijke aanwijzing aan de moeder te geven. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk zodat de hulpverlening voor [minderjarige] doorgang kan vinden. Een afsluiting van de ondertoezichtstelling kan pas aan de orde zijn als de hulpverlening voor ouders is afgerond met een ondertekend ouderschapsplan dat eventueel door de rechtbank is bekrachtigd, de ambulante daghulp is opgestart in het huidige schooljaar én herstart in het nieuwe schooljaar, en er duidelijkheid is over mogelijk noodzakelijke vervolghulpverlening voor [minderjarige] .
3. De standpunten
De moeder is van mening dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten. Zij staat open voor de ambulante hulpverlening die [minderjarige] op school krijgt, maar wil niet dat de hulpverlening bij haar thuis komt. Er zijn al vaker hulpverleners bij de moeder over de vloer geweest en die hebben telkens geconstateerd dat het goed genoeg is. Bovendien vinden haar andere kinderen het niet prettig dat er hulpverlening bij hen thuis komt. Als het echt moet, zal zij hier wel aan mee werken. Een schriftelijke aanwijzing is overbodig en geeft de indruk dat de moeder nergens aan mee werkt. Dat is niet het geval.
De vader is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij uit wel zorgen over de invulling daarvan. Er is volgens de vader te weinig contact met de gecertificeerde instelling, waardoor hij bang is dat er de komende periode maar weinig van de grond zal komen. De vader heeft veel zorgen over de thuissituatie bij de moeder. Hij voelt zich hierin niet serieus genomen door de hulpverlening.
4. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de zorgen over [minderjarige] onverminderd aanwezig zijn. Er is nog steeds sprake van een ingewikkelde strijd tussen de ouders, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict verkeert. Dit uit zich onder andere in het feit dat hij een heel zwart-wit beeld lijkt te hebben over zijn ouders. Het lukt de ouders niet om de strijdbijl te begraven en samen afspraken te maken over [minderjarige] .
Op de zitting is met de ouders gesproken over deze zorgen en beide ouders onderschrijven dat de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] nodig is.
De kinderrechter overweegt dat helaas niet te verwachten is dat de ouders binnen afzienbare tijd nader tot elkaar zullen komen. De verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom vooral nodig om de situatie voor [minderjarige] , ondanks dit gegeven, zoveel mogelijk te verbeteren. In de komende periode is het daarvoor van belang dat de ouders met de begeleiding van [instantie] een ouderschapsplan maken en deze eventueel ook laten bekrachtigen door de rechtbank. Daarnaast moet de reeds ingezette emotieregulatie-training voor [minderjarige] doorgang blijven vinden en is van belang dat de ambulante daghulp vanuit Jeugdformaat gaat starten. Indien blijkt dat [minderjarige] baat zou kunnen hebben bij verdere hulpverlening kan daar ook op worden ingezet.
De kinderrechter doet nogmaals een beroep op de moeder om mee te werken aan de ambulante thuisbegeleiding van Jeugdformaat. Hoewel de kinderrechter begrip kan opbrengen voor het standpunt van de moeder dat zij het, gelet op haar privacy en rust, niet prettig vindt dat er hulpverlening bij haar thuis komt, wordt dit door Jeugdformaat wel als voorwaarde gesteld voor de ambulante daghulp voor [minderjarige] . Aan de vader geeft de kinderrechter mee dat hij erop moet vertrouwen dat als er dusdanige zorgen over de thuissituatie bij de moeder zouden zijn dat de veiligheid van [minderjarige] daardoor geraakt wordt, de jeugdbeschermer of andere betrokken hulpverleners op dat moment zouden ingrijpen. Zolang dat niet het geval is, zal de vader vooral moeten werken aan de manier waarop hij [minderjarige] kan ondersteunen om het fijn te hebben bij zijn moeder. In dat kader zou het verstandig zijn om individuele hulpverlening te zoeken om te werken aan zijn gebrek aan vertrouwen in de moeder.
Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling naar het oordeel van de kinderrechter nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur van zes maanden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 7 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.