ECLI:NL:RBDHA:2026:10572

ECLI:NL:RBDHA:2026:10572

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer AWB 26 / 2815
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mondelinge uitspraak. Regulier, beroep niet tijdig. Gegrond. Procesbelang bij niet verstreken rechterlijke dwangsom. Verweerder is opgedragen om uiterlijk 16 mei 2026 een besluit nemen. Verweerder is vanaf 16 mei 2026 een dwangsom van €250 verschuldigd, met een maximum van €37.500,-. Verweerder is opgedragen om de griffierecht te vergoeden. Proceskosten is hier niet ter sprake.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 26/2815

V-nummer: [v-nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een nareis-mvv.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder is - met bericht - niet verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- draagt verweerder op om uiterlijk op 16 mei 2026 een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

1. Eiser heeft op 14 mei 2024 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en kinderen ingediend. De rechtbank heeft op 22 mei 2025 een beroep van eiser wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en verweerder opgedragen om alsnog binnen veertien dagen te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-. Met een uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank verweerder opnieuw opgedragen om alsnog binnen veertien dagen te beslissen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Deze dwangsom loopt vol op 16 mei 2026. Op 11 februari 2026 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op dit beroep wordt in deze uitspraak beslist.

2. Verweerder stelt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat ten tijde van het instellen van het beroep de dwangsom nog niet volledig is verbeurd. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld nadat de in de uitspraak van 3 december 2025 gestelde beslistermijn is verstreken en verweerder heeft nog steeds niet op de aanvraag beslist. Voorts blijft bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1684) en 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4865).

3. Voor het standpunt van verweerder dat laatstgenoemde uitspraak niet ziet op vreemdelingenzaken ziet de rechtbank geen aanknopingspunt in deze uitspraak. Eiser kan een relevant resultaat bereiken en dus in een gunstigere positie komen met het aanwenden van het opvolgende beroep niet tijdig, namelijk een additionele dwangsom aansluitend aan de eerdere rechterlijke dwangsom. Van het stapelen van dwangsommen is geen sprake, want uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de rechtbank bij het bepalen van een tweede rechtelijke dwangsom rekening moet houden met de eerder opgelegde dwangsom. Dit kan betekenen dat de rechtbank de tweede rechterlijke dwangsom pas laat ingaan nadat de eerste is volgelopen, waardoor dwangsommen niet gelijktijdig lopen en het stapelen van dwangsommen wordt voorkomen. De rechter doet bij een opvolgend beroep niet voor de tweede maal uitspraak over hetzelfde geschil, maar stelt op een later moment opnieuw vast dat nog steeds niet op een aanvraag is beslist. Het tijdsverloop is inherent een relevante factor aan een beroep niet tijdig. Dat extra prikkels onnodig zouden zijn volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft verweerder reeds tweemaal eerder opgedragen om te beslissen en verweerder heeft daar niet aan voldaan. De rechtbank verwacht met een aansluitende dwangsom tot een hoger bedrag verweerder te bewegen thans wel gevolg te geven aan de opdracht om te beslissen. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

4. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de rechter een termijn moet stellen die niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort is (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560). De rechter mag geen nadere termijn stellen waarvan op voorhand duidelijk is dat het bestuursorgaan deze niet kan halen zonder onzorgvuldig te werk te gaan. Ook als het bestuursorgaan eerder met de procedure voor het nemen van een besluit had kunnen beginnen, rechtvaardigt dit niet zonder meer dat de rechter een kortere termijn stelt dan nodig is voor zorgvuldige besluitvorming.

5. Verweerder is voornemens de achterblijvende ouder van de jongste dochter, [naam] , uit te nodigen voor een gehoor. De rechtbank is van oordeel dat daartoe tot 16 mei 2026 nog voldoende tijd resteert. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat zijn echtgenote en kinderen thans in Zuid-Libanon verblijven waar wordt gebombardeerd. Hij maakt zich erg veel zorgen om hun veiligheid. De Nationale Ombudsman heeft al op 10 maart 2025 een klacht van eiser gegrond verklaard, maar voor de besluitvorming naar verweerder verwezen. Eiser heeft zelf in januari 2022 asiel gevraagd en is inmiddels al meer dan vier jaar gescheiden van zijn echtgenote en kinderen. Hij is ten einde raad en weet niet wat hij nog kan doen om zijn gezin te helpen. Verweerder stelt in algemene zin dat een nadere beslistermijn van zestien weken passend is, maar heeft niet aangegeven waarom de nog resterende tijd van ruim zes weken in dit concrete geval onvoldoende zou zijn om een gehoor te houden en vervolgens op de aanvraag te beslissen. Van verweerder mag naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de door eiser geschetste omstandigheden en omdat het reeds om een derde beroep gaat, in redelijkheid worden verwacht de afhandeling van deze aanvraag meer prioriteit te geven en uiterlijk op 16 mei 2026 een besluit te nemen.

6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder vanaf 16 mei 2026 een dwangsom van € 250,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest voor een hogere dwangsom dan gebruikelijk, omdat verweerder zich reeds tweemaal niet heeft gehouden aan een opdracht van de rechtbank om binnen veertien dagen te beslissen op de aanvraag en gelet op de door eiser geschetste omstandigheden.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van M.C. Kramer, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.E.J.M. Gielen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand